64. Waar De Nacht Eerlijk Wordt

64. Waar De Nacht Eerlijk Wordt

De regen was ergens in de nacht verdwenen. Niet plotseling. Niet alsof iemand een kraan had dichtgedraaid. Meer alsof de hemel langzaam besloot dat ze genoeg gehuild had. De Freja Luna gleed rustig door de donkere Atlantische Oceaan. Onder het schip rolden lange golven voorbij. Geen storm meer. Geen harde wind. Alleen de diepe ademhaling van de oceaan. Beneden sliep bijna iedereen. Alyssa lag waarschijnlijk weer dwars in haar bed. Eva had zich vermoedelijk volledig in een deken gerold. Frida had pas na drie extra controles van koers, radar, AIS, weerkaarten en windverwachtingen eindelijk toegegeven dat ze ook moest slapen. Alleen boven aan dek brandde een klein rood licht. Emma zat met haar knieën opgetrokken tegen haar borst op de bank in de kuip.Dikke trui. Haar blonde haar nog een beetje vochtig van de regen.

Naast haar zat Eline. Voor de verandering eens stil. De stilte duurde zo lang dat Emma uiteindelijk moest lachen.
“Ik maak me zorgen.”
Eline keek op. “Waarom?”
“Omdat jij al vijf minuten niets gezegd hebt.”
“Zes.”
“Dat maakt het erger.”

Zelfs Eline moest glimlachen. Voor hen lag alleen maar zee. Achter hen lag alleen maar zee. Boven hen stond een hemel vol sterren. Niet een paar. Duizenden. Alsof iemand een handvol diamanten over een zwart fluwelen doek had uitgestrooid. Emma keek omhoog.

“Dit zie je thuis nooit.”
“Nee.”
“Waarom eigenlijk niet?”
Eline keek ook omhoog.
“Te veel licht.”
Emma knikte.
“Grappig.”
“Wat?”
“Dat die sterren er altijd zijn.”
Eline glimlachte.
“En dat wij meestal vergeten omhoog te kijken.”

De stilte keerde terug. Maar dit keer voelde ze anders. Warmer. Dieper. Toen keek Emma opzij.

“Je mist je moeder hè?”

Eline antwoordde niet direct. Ze wist precies wie Emma bedoelde. Ze keek naar de horizon. Naar de sterren. Naar nergens ze staarde alleen maar.

“Ja.”

Meer zei ze eerst niet. Emma wachtte. Want soms moet je mensen tijd geven.

“Wanneer mis je haar het meest?” vroeg ze uiteindelijk.
Eline dacht lang na.
“Niet op verjaardagen.” zei ze
“Nee?”
“Die zijn moeilijk.”
Ze haalde haar schouders op.
“Maar daar verwacht je het.”
“En kerst?”
“Ook.”
Eline keek naar haar handen.
“Maar het ergste zijn kleine dingen.”
Emma luisterde aandachtig.
“Zoals?”
Eline glimlachte ineens.
“Als ik iets grappigs zie.”
“Dat snap ik niet.”
“Dan wil ik het vertellen.”
Emma keek haar aan.
“Vertellen aan mama.”
Eline knikte.
“Dan zie ik iets grappigs. Of iets stoms. Of iets moois. En dan denk ik automatisch: dat moet ik straks aan mama vertellen.”
Ze slikte even.
“En een seconde later besef ik weer dat dat niet kan.”

De woorden bleven even tussen hen hangen. De oceaan was stil. De wind was stil. Zelfs Emma wist even niets te zeggen.

“Wat doe je dan?” vroeg ze zacht.

Eline keek omhoog. Naar de sterren. Toen stak ze haar hand op. En zwaaide. Gewoon. Heel even. Alsof iemand haar kon zien. Emma keek verbaasd. Eline glimlachte.

“Dat doe ik soms.”
“Zwaaien?”
“Ja.”
Ze keek nog steeds omhoog.
“Als ik het even niet meer weet.”
Emma voelde iets in haar keel.
“En?”
Eline glimlachte.
“Dan begroet ik mama even.”
Emma zei niets.
Want soms zijn er momenten die je niet moet vullen met woorden.
Alleen laten bestaan.

Na een tijdje keek Emma naar de zee.
“Ik denk nog vaak aan die boot van Stellan.”
Direct verscheen er een glimlach op Eline haar gezicht.
“Dat was chaos.”
“Dat was complete waanzin.”
“Dat ook.”
Zelfs nu voelden ze de wind weer. De golven. De spanning. Het beeld van Stellan die doodziek beneden in zijn kaluit. Nauwelijks kracht had om overeind te komen. Terwijl buiten de zee compleet losging.

“Windkracht acht,” zei Emma.
Eline knikte.
“Minstens.”
Emma keek naar haar handen.
“Ik was bang.”
Eline keek verbaasd op.
“Jij?”
Emma begon te lachen.
“Ja ik.”
“Dat wist ik niet.”
“Dat kwam omdat ik deed alsof ik stoer was.”
“Dat deed je goed.”
Emma schudde haar hoofd.
“Nee hoor.”
Ze keek naar het water.
“Ik herinner me nog dat ik dacht dat die golven nooit meer zouden stoppen.”
Eline begon te lachen.
“Dat dacht ik ook.”
Emma keek verrast op.
“Wacht even.”
Eline keek weg. Te laat. Emma had het gezien.
“Jij was ook bang.”
“Misschien.”
“Eline.”
“Een beetje, oke een beetje erg.”
“Eline.”
“Oké dan.”
Ze lachte.
“Ik was doodsbang.”
Emma schoot in de lach.
“Zie je wel.”
“Maar jij ook.”
“Dat klopt.”
“En toch deden we het.”

Daar werden ze allebei weer stil van. Want dat was waar. Ze waren bang geweest. Ontzettend bang. Maar ze hadden het toch gedaan. Samen. Twee jonge meiden. Een zeilboot. Een doodzieke eigenaar. Enorme windkracht. En een haven die steeds dichterbij kwam.

“Papa was trots die dag.”
Eline glimlachte.
“Dat zag je.”
“Ja.”
“Dat zie je altijd.”

Emma keek naar de sterren. Toen veranderde haar blik. Dat zag Eline direct. Eline dacht bij zichzelf Emma houd je smoel. Maar Emma glimlachte en zei,
“vertel.”
“wat.”
“BJORN.”

Eline liet haar hoofd achterover vallen.
“Ik wist dat dit ging gebeuren.”
Emma lag direct dubbel.
“Je had je gezicht moeten zien.”
“Ik haat je.”
“Nee hoor.”
“Een beetje.”
Emma schoof iets dichterbij.
“Vertel.”
“Er valt niets te vertellen.”
“Dat geloof ik niet.”
Eline keek weg.
Dat vertelde eigenlijk al genoeg.
“Kom op.”
“Nee.”
“Jij hebt hem gezoend.”
Eline voelde haar gezicht warm worden.
“Zachtjes.”
“Waarom zachtjes?”
“Straks hoort iemand het.”
Emma keek om zich heen. Naar de sterren. Naar de oceaan. Naar letterlijk niemand.
“Wie dan?”
Eline begon te lachen.
“Geen idee.”
“De vissen?”
“Misschien.”
Emma gaf haar een duwtje.
“Vertel nou.”
Eline zuchtte diep.
Zoals alleen kleine zusjes dat kunnen.
“Oké.”
Emma ging direct rechter zitten.
“Ik luister.”
“Dat is precies het probleem.”
“Begin.”
Eline glimlachte.
“Ik had helemaal niet gepland hem te zoenen.”
“Dat zegt iedereen.”
“Nee echt.”
“Tuurlijk.”
“Ik meen het.”
Emma grijnsde.
“En toen?”
Eline keek naar de sterren.
“Toen keek hij me aan.”
“Dat is meestal hoe het begint.”
“Emma.”
“Ga verder.”
Eline lachte.
“En toen werd ik zenuwachtig.”
“Jij?”
“Ja ik.”
“Dat geloof ik niet.”
“Nou toch was het zo.”
Ze trok haar knieën op.
“En toen gebeurde het gewoon.”
Emma glimlachte.
“En?”
Eline glimlachte terug. Klein. Maar oprecht.
“En het was eigenlijk best fijn.”
“Best fijn?”
“Ja.”
“Dat is alles?”
Eline keek naar de oceaan.
“Nee.”
Emma wachtte.
“Als ik aan hem denk krijg ik vlinders in mijn buik.”
Daar was hij. De bekentenis. Emma begon direct te lachen.
“VLINDERS.”
“Niet zo hard.”
“VLINDERS.”Eline sloeg haar handen voor haar gezicht.
“Dit was een fout.”
Emma kreeg tranen van het lachen.
“En toen zei papa…”
Eline begon zelf ook te lachen.
“Dat ik maar moest stoppen met vlinders eten.”
“Dat was ook een legendarisch antwoord.”
“Ik weet het.”
Emma keek haar aan.
“Mis je hem?”
“Wie papa?”
“Nee trut je vriendje.”

Eline antwoordde deze keer direct.

“Ja.”

Geen grap. Geen ontwijking. Gewoon eerlijk.

“Ik had eigenlijk gewild dat hij mee was gegaan.”

Emma glimlachte.

“Dat dacht ik al.”

Eline keek naar de sterren.

“Ik denk steeds dat hij dit mooi had gevonden.”
“Dat had hij.”
“Deze zee.”
“Ja.”
“Deze nacht.”
“Ook.”
“Deze zonsopkomst.”

Emma keek op. “Welke zonsopkomst?”
Eline wees. Ver weg. Aan de horizon. Verscheen een eerste streep licht. Dun. Breekbaar. Bijna onzichtbaar. Maar aanwezig. Heel langzaam kleurde de wereld blauw. Daarna paars. Daarna roze. Alsof iemand de hemel opnieuw schilderde. De meiden zwegen. De zon klom langzaam omhoog. Gouden stralen gleden over de oceaan. Duizenden lichtpuntjes verschenen tegelijk op het water. De Freja Luna leek recht de zon tegemoet te varen. Emma voelde kippenvel. Niet van de kou. Van het moment. Naast haar zat Eline. Rustig. Stil. Met haar blik op de horizon. Toen keek ze heel even omhoog. Naar de hemel.

En zwaaide opnieuw. Heel klein. Alsof niemand het zag. Behalve Emma.

“Goedemorgen mam.”

Het was nauwelijks meer dan een fluistering. Maar Emma hoorde het. En ergens tussen de sterren. De zee. De herinneringen. De eerste liefde. En de opkomende zon. Voelde het alsof Luna misschien toch een beetje meevoer.

Nog steeds.