48. We Waren Allang Onderweg

48. We Waren Allang Onderweg

Die avond was de aanval van Eline op Ismael zonder twijfel hét gesprek van de avond geworden. We zaten buiten in de kuip van de Freja Luna. De zee was eindelijk rustig geworden en ergens verderop hoorde je muziek vanaf het strand komen. Het was zo’n warme avond waarop niemand echt naar binnen wilde. Eline zat breeduit op de bank alsof ze persoonlijk zojuist een oorlog had gewonnen.

“Jullie lachen wel,” zei ze terwijl ze met haar handen zat te gebaren, “maar ik zag precies wat hij wilde.”
“Oh ja?” vroeg Alyssa meteen met een grijns.
“Ja. Dat begint met een kusje… en daarna…”
Eline dacht even diep na.
“Pipperdie papperdie poe.”
Het bleef twee seconden doodstil. Daarna klapte werkelijk iedereen dubbel van het lachen. Ik probeerde nog serieus te blijven maar zodra ik Frida bijna van haar stoel zag glijden en Alyssa letterlijk geen lucht meer kreeg, was ik verloren. Ik schoot volledig in de slappe lach. Het soort lach waarbij je probeert normaal te kijken maar alleen nog rare geluiden produceert. En dat werkte aanstekelijk. Binnen een halve minuut lag werkelijk iedereen dubbel. Zelfs Eva probeerde boos te blijven maar kreeg het niet voor elkaar. Alleen Eline keek licht beledigd.

“Ik meen het gewoon serieus.”
“Dat maakt het juist erger,” zei Frida lachend.
“Ik bescherm gewoon mijn zusjes.”
“Alsof Ismael een internationale misdadiger is,” zei Alyssa.
“Dat weet jij niet.”
Daar gingen we weer.

Ik voelde de tranen van het lachen in mijn ogen staan. Het was lang geleden dat we zo hard met z’n allen hadden gelachen. Echt gelachen. Zonder nadenken. Zonder verdriet op de achtergrond. Gewoon even zes mensen die compleet de controle kwijt waren om iets totaal onbenulligs. Later op de avond werd het rustiger. De wind viel bijna helemaal weg en de boot bewoog nog maar zachtjes op het water. Frida zat met een deken om haar heen. Alyssa lag half onderuit op de bank. Eline was uiteindelijk tegen Eva aangekropen alsof er nooit iets gebeurd was. Toen kwam Eva ineens uit de hoek.

“Wanneer gaan we eigenlijk verder?”
Ik keek op.
“Geen idee,” zei ik eerlijk. “Waarom?”
“Gewoon…”
Frida keek direct op met een grijns die weinig goeds voorspelde.
“We blijven nog wel een dagje,” zei ze droog. “Dan kan jij morgen Ismael nog even zien.”
Iedereen begon direct weer te lachen.
Eva werd rood.
“Hou je mond.”
“Ohhhh,” zei Alyssa meteen. “Ze bloost!”
“Ik bloos helemaal niet.”
“Jawel,” zei Eline direct. “Je hoofd lijkt op een reddingsboei.”
Zelfs ik moest weer lachen.
Eva trok demonstratief haar deken omhoog.
“Jullie zijn echt irritant.”
“Maar wel gezellig irritant,” zei Frida.

Even werd het stil. Ik keek naar mijn meiden. Naar het zachte licht van de haven. Naar de Freja Luna die rustig tegen de steiger tikte. En ergens tussen het lachen en plagen door voelde ik iets wat ik lang niet gevoeld had. Rust. De stilte duurde niet lang. Want zodra het lachen een beetje gezakt was, kwam Frida alweer overeind alsof ze spontaan voorzitter van een vergadering geworden was.

“Oké,” zei ze terwijl ze serieus om zich heen keek, “maar nu even normaal. Waar gaan we eigenlijk heen?”
“Dat vroeg Eva net ook al,” zei Alyssa.
“Ja maar Eva vroeg het verliefd,” zei Frida droog.

Eva gooide direct een kussen naar haar hoofd.

“Hou nou eens op over Ismael.”
“Kan niet,” zei Eline. “Hij is verdacht.”
“Hij is niet verdacht!”
“Hij had een kusgezicht.”
Ik voelde de slappe lach alweer opkomen.
“Een wát?” vroeg Alyssa.
“Gewoon…” zei Eline bloedserieus. “Zo’n gezicht van iemand die pipperdie papperdie poe wil doen.”
Dat was het einde van iedere vorm van serieus overleg.

Frida lag opnieuw dubbel. Alyssa verdween half van de bank van het lachen en zelfs Eva kon zichzelf niet meer serieus houden. Ik probeerde nog waardigheid uit te stralen als vader maar gaf het na tien seconden op. Toen het eindelijk weer een beetje rustig werd, keek Frida me aan.

“Maar serieus pap. Wat is het plan?”
Ik keek naar buiten over het donkere water van de haven.
“Eén ding weet ik wel,” zei ik rustig. “We moeten richting de Canarische Eilanden.”
Nu werd het direct stil.
Dat was anders dan een volgende haven.
Anders dan “we zien wel”.
Dit klonk ineens echt groot.
“Canarische Eilanden…” zei Eva zacht.
Ik knikte.
“Vanuit daar steken de meeste zeilers over naar Amerika.”
“Dus echt de oceaan over?” vroeg Alyssa.
“Ja.”
Zelfs Eline zei even niets meer.
De wind tikte zacht tegen de zeilenhoes terwijl ergens verderop muziek uit een strandtent kwam aanwaaien.
“Dat is niet even een nachtje varen,” zei Frida uiteindelijk.
“Nee,” antwoordde ik. “Dat is weken.”
“Hoeveel weken?”
“Hangt van het weer af. Twee… drie… misschien meer.”
“Geen land zien?” vroeg Eva.
“Alleen water.”
“Dat is eigenlijk best gestoord,” mompelde Alyssa.
“Dat zei mama vroeger ook,” zei ik automatisch.

En meteen viel er een andere stilte. Geen pijnlijke stilte. Meer eentje die zacht binnenkwam. Ik keek even omhoog naar de donkere hemel.

“Je moeder wilde dit altijd,” zei ik zacht. “Niet alleen varen… maar echt weggaan. De wereld zien. Vrij zijn.”

Niemand zei iets.

Frida keek naar het water.
Eva speelde stil met een los draadje van de deken.
Eline zat ineens opvallend rustig tegen haar zus aan.

“Dus…” zei Alyssa uiteindelijk. “Dan moeten we eerst naar Spanje?”
“Waarschijnlijk Portugal eerst,” zei ik. “Langs de kust naar beneden. Misschien Madeira. Daarna de Canarische Eilanden.”
“En daarna Amerika…” zei Eva zachtjes alsof ze het zelf nog niet helemaal geloofde.
Ik knikte langzaam.
“Dat was altijd het plan.”
Eline keek ineens op.
“Maar wel zonder Ismael.”
Iedereen schoot opnieuw in de lach.
Zelfs Eva.
En ergens midden in dat gelach besefte ik ineens iets.
We waren allang niet meer op vakantie.