16. Herinneringen en Vooruitzichten

16. Herinneringen en Vooruitzichten

Een Tafel Vol Herinneringen en Vooruitzichten

Het moment dat we aanlegden in Vaasa voelde anders dan de havens daarvoor. Misschien kwam het door de lange oversteek, misschien door de vermoeidheid die nog in mijn schouders zat, of misschien gewoon omdat ik wist wie daar ergens op ons stond te wachten. Tapio. Een oude collega, iemand met wie ik ooit dagen vulde met werk en avonden met gesprekken die uiteindelijk veel belangrijker bleken.

Hij stond er al. Alsof er geen jaren tussen zaten.

“Bert,” zei hij.

En dat was genoeg.

Die avond zaten we bij Restaurant Faros, aan een tafel die eigenlijk te klein was voor alles wat er besproken ging worden, met uitzicht op de haven waar Freja Luna rustig lag te wachten alsof ze wist dat dit maar een tussenstop was.

Het soort plek waar je blijft hangen. Waar het eten goed is, maar het gezelschap beter.

“Dus,” zei Tapio terwijl hij zijn glas optilde, “je hebt het echt gedaan.”
Ik haalde mijn schouders op. “Blijkbaar.”
“Blijkbaar,” herhaalde hij lachend. “De meeste mensen blijven praten.”
“En jij niet,” zei Frida.
“Ik praat ook,” zei ik.
“Ja, maar daarna doe je het ook nog,” zei Eva.
Dat klonk verdacht als een compliment.

Het eten bracht even rust aan tafel. Zelfs Eline was stil, wat op zich al een prestatie was. Verse vis, goed bereid, geen gedoe, gewoon smaken die kloppen. Ik keek om me heen en dacht: dit zijn van die momenten die je niet kunt plannen, maar die precies op het juiste moment komen.

“Wat is het plan?” vroeg Tapio uiteindelijk.
Daar was hij. Die vraag. Ik leunde iets achterover.
“Eerst Schotland,” zei ik.
Het bleef even stil.
“Maar niet direct,” ging ik verder. “We gaan eerst Stockholm aandoen.”
“Serieus?” zei Eline. “Tussen al dat water door ga jij een museum plannen?”
“Niet zomaar een museum,” zei ik. “Het Vasa Museum.”
“Dat is dat schip toch?” zei Alyssa. “Dat meteen zonk?”
“Klopt,” zei ik. “Maar het verhaal daarachter is nog mooier… of eigenlijk tragischer.”
Ze keken me aan.
Ik kon het niet laten.

“Het schip werd gebouwd in de zeventiende eeuw,” begon ik, “onder leiding van een Nederlandse scheepsbouwer. De Zweden wilden indruk maken. Groter, zwaarder, meer kanonnen, hoger… alles moest meer zijn dan de rest.”
“Dat klinkt bekend,” zei Eva.
Ik negeerde dat.
“Alleen… ze maakten één fout,” ging ik verder.
“Of eigenlijk meerdere. Het schip werd te topzwaar. Te veel gewicht bovenin. Te weinig stabiliteit onderin. En toch moest hij varen.”
“Waarom?” vroeg Frida.
“Omdat de koning dat wilde,” zei ik. “En niemand durfde te zeggen dat het geen goed idee was.”
Eline begon al te lachen.
“Dat is dus precies hoe jij een boot bouwt.”
“Dank je,” zei ik droog.
“Tijdens de eerste tocht,” ging ik verder, “voer het schip nog geen kilometer… en toen kwam er een windvlaag.”
Ik keek even naar buiten, naar het water.
“Hij helt over… water stroomt naar binnen… en hij zinkt. Gewoon. Klaar.”
“Met iedereen aan boord?” vroeg Alyssa.
“Niet iedereen,” zei ik. “Maar wel een groot deel. En belangrijker: het hele prestigeproject lag binnen minuten op de bodem.”

“Dus we gaan daarheen…” zei Eva langzaam,
“…om te kijken hoe het mis kan gaan?”
“Precies,” zei ik.
“Motiverend,” zei ze.
Tapio lachte. “Goed dat je dat ziet vóór je naar Schotland gaat.”
“Dat was ook het idee,” zei ik.
“En daarna?” vroeg Frida.
“Dan zakken we af naar Göteborg,” zei ik. “En dan door het Kattegat.”
Tapio knikte meteen.
“Dat stuk moet je serieus nemen.”
“Dat doe ik ook,” zei ik.
“Wind tegen stroom, korte steile golven,” zei hij. “Dat kan gemeen zijn.”
“Dat klinkt alsof het niet gezellig wordt,” zei Eline.
“Dat wordt het nooit met jullie,” zei ik.
“En daarna?” vroeg Alyssa.
“IJsland,” zei ik.

Het bleef stil. Dit keer echt.

Tapio keek me aan.
“Dat is geen kleine stap, Bert.”
“Ik weet het.”
“Dat is geen ‘we zien wel’-tocht.”
Ik glimlachte.
“Het begint wel zo.”
Eline keek naar me.
“Kunnen we daar waterskiën?”
Ik keek haar aan.
“Als jij achter deze boot blijft hangen in het Kattegat, krijg je van mij een medaille én een warm dekentje.”
“Deal,” zei ze.
“Geen deal,” zei Frida meteen.

Gelach. Gelukkig maar.

De avond werd langer. Zoals goede avonden dat doen. Herinneringen, plannen, verhalen die door elkaar lopen en toch ergens samenkomen. Tapio hief nog één keer zijn glas.
“Op wat er was,” zei hij.
Hij keek naar mij.
“En op wat nog komt.”
Ik knikte.
“Op beide.”

Later, terug bij de boot, liep iedereen een beetje voor zich uit. Niet stil, maar rustiger. Alsof iedereen hetzelfde dacht. Stockholm. Het Vasa. Göteborg. Kattegat. Schotland. IJsland.

Ik bleef even staan. Keek naar het water. Naar de reflectie van de lichten. Dat schip in Stockholm…was gebouwd om indruk te maken. En zonk omdat niemand durfde te zeggen dat het niet klopte.

Ik keek naar Freja Luna. Toen naar de meiden.
“Pap?” zei Eline achter me.
“Ja?”
“Wij gaan toch niet zinken hè?”
Ik glimlachte.
“Alleen als ik naar niemand luister.”
“Dat is geruststellend,” zei Eva.
Ik keek nog één keer naar het water.
Toen naar hen.
“Daarom neem ik jullie mee,” zei ik.
“Dan gaat het in ieder geval niet stilletjes mis.”

Geef een reactie