15. Oversteek met Tegenwind
Onze volgende etappe bracht ons naar Vaasa, Finland, waar Tapio woonde, een oude collega van vroeger met wie ik meer uren had doorgebracht dan goed voor ons allebei was geweest, meestal pratend over werk dat achteraf minder belangrijk bleek dan de gesprekken eromheen, en het idee om hem weer te zien gaf me een vreemd soort rust, alsof er ergens aan de overkant van dat water nog een stukje van mijn oude leven lag te wachten.
Het was geen kleine tocht.
Bijna vierentwintig uur varen, en belangrijker nog: onze eerste echte nacht op zee.
Dat klinkt romantischer dan het is.
Want met vijf mensen op een schip dat groot genoeg is om elkaar nét niet constant in de weg te lopen, maar klein genoeg om elkaars ademhaling te horen, weet je één ding zeker: het wordt nooit alleen maar mooi.
We vertrokken vroeg, met een wind die al meteen liet merken dat het geen ontspannen tocht zou worden, een stevige bries die het water onrustig maakte en het schip net genoeg liet werken om iedereen scherp te houden, en terwijl de kust langzaam achter ons verdween voelde ik dat bekende mengsel van vertrouwen en twijfel, dat gevoel dat je weet wat je doet en tegelijkertijd hoopt dat de zee het daar een beetje mee eens is.
Frida had, zoals verwacht, binnen tien minuten een wachtschema opgesteld dat er professioneel uitzag en waar niemand zich uiteindelijk volledig aan zou houden, Alyssa en Eva waren het al oneens over de meest efficiënte indeling nog voordat de eerste wacht begonnen was, en Eline zat ergens tussenin, half luisterend en half naar buiten kijkend, alsof ze het hele systeem al bij voorbaat doorzag en besloten had zich er niet druk om te maken.
De eerste uren verliepen zoals dat gaat: iedereen nog energiek, nog scherp, nog in staat om kleine irritaties te negeren, maar naarmate de middag overging in avond en de wind verder aantrok, begon het schip serieuzer te bewegen, niet onveilig maar wel nadrukkelijk aanwezig, elke golf een herinnering dat we niet meer in een haven lagen maar midden op open water zaten, en met die beweging kwam ook de vermoeidheid, en met vermoeidheid komt onvermijdelijk… commentaar.
“Je stuurt te hoog,” zei Eva op een toon die suggereerde dat dit geen mening maar een feit was.
“Ik stuur precies goed,” antwoordde Alyssa, zonder op te kijken.
“Dat is niet hetzelfde,” zei Eva.
“Volgens mij wel,” zei Alyssa.
Ik liet het even gaan, zoals je dat doet wanneer je weet dat ingrijpen het alleen maar erger maakt, en keek naar de golven die inmiddels hoger werden, brekend tegen de boeg en soms net genoeg opspattend om ons eraan te herinneren dat droog blijven geen vanzelfsprekendheid was.
Tegen de tijd dat de zon onderging en de lucht dat diepe blauw kreeg dat alleen op zee echt donker voelt, begon het schip een ritme te vinden, een beweging die niet rustiger werd maar wel voorspelbaarder, en ergens in die overgang van dag naar nacht werd het stiller aan boord, niet omdat alles opgelost was, maar omdat iedereen simpelweg te moe werd om elk detail nog te benoemen.
Eline zat op een gegeven moment naast me, zonder iets te zeggen, kijkend naar het water dat donkerder werd en de horizon die langzaam verdween, en toen ze uiteindelijk iets zei, was het niet groot of opvallend, maar precies genoeg om me even uit mijn gedachten te halen.
“Als je zo blijft varen, kom je straks iets te laag uit,” zei ze, terwijl ze niet eens echt naar me keek.
Ik keek naar het kompas, naar de koers, naar de wind, en moest toegeven dat ze niet helemaal ongelijk had, het was geen grote afwijking maar wel net genoeg om later gedoe te geven, dus corrigeerde ik licht, zonder er verder iets van te maken.
Eva, die half lag te rusten maar blijkbaar toch alles hoorde, kwam overeind, keek kort naar de zeilen en knikte bijna onmerkbaar, alsof ze bevestigde wat er al duidelijk was, en dat was het moment waarop ik besloot dat niet alles benoemd hoeft te worden om waarde te hebben.
De nacht zelf was… anders dan ik had verwacht. Niet rustiger. Niet spannender. Maar intenser. De wind bleef staan, soms zelfs iets aantrekkend, waardoor het schip bleef werken en niemand echt diep kon slapen, en in dat half wakkere, half slapende ritme ontstonden de kleine irritaties waar je van tevoren al rekening mee had gehouden, korte opmerkingen, kleine discussies over niets, die net zo snel weer verdwenen als ze waren gekomen.
Vijf mensen.
Weinig ruimte.
Dat doet iets met je.
Toch was er ook iets anders.
Tussen de golven, de wind en het zachte gekraak van het schip zat een soort focus die je aan land nooit hebt, een vanzelfsprekende samenwerking waarin iedereen, ondanks het gemopper en de vermoeidheid, precies genoeg deed om het geheel te laten werken, en ergens in die nacht besefte ik dat dit misschien wel het echte begin was van wat we aan het doen waren.
Niet de voorbereiding. Niet de plannen. Maar dit. Samen. Op het water.
Tegen de tijd dat de eerste lichte streep van de ochtend zichtbaar werd, veranderde alles opnieuw, de zee werd iets rustiger, de wind verloor net dat scherpe randje, en aan de horizon verscheen langzaam een donkere lijn die steeds duidelijker werd totdat het onmiskenbaar was.
Finland. Vaasa.

Frida kwam als eerste weer echt tot leven, keek om zich heen en zei iets wat ergens tussen een vraag en een constatering in zat, Alyssa en Eva volgden, nog half in hun eigen wereld maar duidelijk opgelucht dat de oversteek er bijna op zat, en Eline zat nog steeds op dezelfde plek, alsof ze de hele nacht geen moment gemist had.
Ik keek naar voren, naar de kust die langzaam dichterbij kwam, en dacht aan Tapio, aan gesprekken die we zouden voeren, aan verhalen die we opnieuw zouden vertellen alsof ze gisteren gebeurd waren.
De zee werd rustiger naarmate we dichter bij de kust kwamen, alsof ze ons zonder gedoe liet aankomen, en toen we uiteindelijk Vaasa binnenliepen, moe maar tevreden, wist ik één ding zeker:
De tocht was precies gegaan zoals je niet plant, maar wel hoopt. En ergens daartussen, tussen wind, water en een paar kleine ruzies, hadden we weer iets gevonden wat je niet kunt organiseren. Alleen maar meemaken. Ik hoor Eline nog zeggen, “we maken herinneringen” en dat deden we.