29. Vi sees i Norge
De ochtend van vertrek uit Kristiansand begon grijs. Niet dreigend, maar zwaar genoeg om het water donker te kleuren. De haven was stiller dan de dagen ervoor. Alsof Noorwegen wist dat we verder moesten. Ik was als eerste wakker. Buiten hing vocht in de lucht en ergens verderop sloeg een lijn ritmisch tegen een mast. Dat geluid hoort bij havens. Net als de geur van koffie, diesel en nat hout. Binnen was het nog warm in de kajuit. Frida lag half onder een deken. Eva sliep eindelijk rustig sinds de antibiotica begonnen te werken. Alleen Eline was al wakker. Natuurlijk.

Ze zat bij het raam naar buiten te kijken.
“Regen?” vroeg ze.
“Misschien.”
“Mooi.”
Dat was typisch Eline. Alsof slecht weer vooral extra avontuur betekende.
Tegen de tijd dat iedereen wakker was veranderde de boot langzaam van huis terug naar schip. Dekens verdwenen. Bekers werden opgeborgen. Luiken gecontroleerd. Kaarten op tafel. Automatische handelingen inmiddels. Iedereen wist wat er moest gebeuren zonder veel te praten.
Frida controleerde voor de derde keer de route.
“Dus eerst zuidwest?”
“Ja.”
“En daarna?”
“Richting Deense kust.”
“En dan Esbjerg.”
Esbjerg.
De naam voelde anders dan Noorwegen. Minder bergen. Minder beschutting. Meer Noordzee.
Eva kwam langzaam de kuip in met een mok thee.
“Mijn gezicht leeft weer een beetje.”
“Fijn voor je gezicht,” zei Alyssa.
“Dank je.”
Het vertrek ging rustig. Lijnen los. Fenders binnen. De motor laag brommend onder ons terwijl Kristiansand langzaam achteruit schoof. De witte huizen tegen de rotsen. De haven. De rust.
Niemand zei veel. Dat gebeurde vaker bij vertrek. Alsof iedereen eerst opnieuw moest wennen aan het idee dat stilstand weer beweging werd.
Buiten de beschutting van de kust veranderde de zee vrijwel meteen. Niet heftig. Maar anders. Langere golven. Meer ruimte tussen water en horizon. Noorwegen lag achter ons. Voor ons alleen open zee richting Denemarken.
De wind kwam schuin van achteren en voor het eerst in dagen voelde de lucht zachter. Minder koud. Alsof het noorden langzaam losliet.
“Zeilen omhoog?” vroeg Frida.
Ik knikte.
Even later viel de motor stil. Dat moment bleef iedere keer bijzonder. Eerst het gebrom. Dan ineens niets meer behalve water langs de romp en wind in het doek. Alsof de boot eindelijk weer ademhaalde.
Alyssa lag languit tegen de buiskap met haar ogen dicht.
“Dit is beter.”
“Je zei gisteren nog dat je een normaal huis wilde.”
“Vandaag niet.”
Eline zat voorop met haar benen over het dek alsof ze figurehead van een oud schip was.
“Hoe diep is het hier?” vroeg ze.
“Diep genoeg.”
“Maar hoeveel?”
“Veel.”
“Handig antwoord weer.”
Eva bleef stiller dan normaal. Niet ziek meer, maar moe. Ze zat met haar jas dichtgetrokken naar het water te kijken terwijl haar haar telkens in haar gezicht waaide.
“Gaat het?” vroeg ik.
Ze knikte.
“Gewoon raar.”
“Wat?”
“Dat Noorwegen nu achter ons ligt.”
Ik keek om. In de verte waren de donkere lijnen van de kust nog net zichtbaar tussen de nevel. Bergen die langzaam kleiner werden totdat ze uiteindelijk alleen nog herinnering zouden zijn.
“Voelt alsof we iets achterlaten,” zei ze zacht.
Misschien was dat ook zo.
De uren daarna kregen dat rustige ritme dat alleen op zee bestaat. Geen klok nodig. Tijd wordt water, wind en licht. Iedereen vond vanzelf een plek aan boord. Frida lezen met één oog op de kaart. Alyssa muziek in één oor maar ondertussen alles meekrijgen. Eva half slapend in de kuip. Eline die iedere twintig minuten een nieuwe belangrijke ontdekking deed.
“Vogel.”
“Ja.”
“Grote vogel.”
“Ook ja.”
“Misschien een zeearend.”
“Dat is een meeuw, Eline.”
“O.”
Halverwege de middag trok de lucht dicht. Niet stormachtig, maar zwaar staalgrijs zoals alleen de Noordzee dat kan doen. De wind bouwde langzaam op. Niet genoeg om zorgen te maken, wel genoeg om iedereen automatisch wat scherper te maken.
Golven werden steiler. Korter ook. Geen vriendelijke Noorse deining meer, maar water dat duidelijk maakte dat het van de oceaan kwam. Het Kattegat en de Noordzee ademden hier al door elkaar heen.
De boot begon harder te werken. Je voelde het direct in alles. Het roer. De lijnen. De beweging onder je voeten.
“Daar is hij weer,” zei Alyssa terwijl een golf tegen de boeg sloeg.
“Wie?” vroeg Eline.
“De natte ellende.”
Frida trok haar capuchon verder over haar hoofd.
“Hoeveel uur nog?”
“Genoeg.”
“Motiverend weer.”
Toch was niemand bang. Daar waren we inmiddels voorbij. De zee hoefde niet vriendelijk te zijn om mooi te blijven.
Later die avond brak de lucht ineens open precies op het moment dat de zon laag begon te hangen. Alsof iemand een gordijn openschoof boven de horizon. Goud licht viel over het water terwijl de golven donker bleven. Dat soort momenten krijg je alleen op zee. Alsof de wereld zichzelf heel even groter laat zien dan normaal.
En daar, heel ver weg, verscheen uiteindelijk een streep land.
Denemarken.
Laag. Plat. Bijna onzichtbaar na Noorwegen. Maar toch duidelijk anders. Geen bergen meer. Geen rotswanden. Alleen horizon. Wind. En de wetenschap dat we langzaam dichter bij huis kwamen.
Esbjerg wachtte nog uren verderop.
Maar voor het eerst voelde Nederland niet meer ver weg.
