28. Stilte tussen rotsen en zee
Kristiansand voelde alsof Noorwegen ons nog één rustige ademhaling gaf voordat de zee weer groter zou worden. De haven lag kalm tussen de rotsen. Meeuwen trokken krijsend over het water, maar zelfs dat klonk hier minder scherp. Alsof alles in deze stad iets afgerond werd door het licht. De boot lag eindelijk stil zonder voortdurend te trekken aan de lijnen. Alleen het zachte tikken van touw tegen aluminium.
We zouden eigenlijk maar kort blijven. Eén nacht misschien twee. Maar reizen werkt zelden zoals gepland. Zeker niet met vier meiden aan boord.

Frida zat rustig te lezen terwijl Eva kreeg kiespijn.
Niet een beetje gevoelig, maar van die diepe pijn die langzaam je hele gezicht overneemt. Eerst probeerde ze het weg te lachen.
“Valt mee,” zei ze met haar hand tegen haar wang.
“Je praat alsof je verdoofd bent,” zei Alyssa.
“Dat komt omdat mijn hoofd probeert te overlijden.”
“Gezellig.”
Zelfs koffie dronk ze niet op. Dat was voor iedereen het moment waarop duidelijk werd dat het serieus was.
“Je moet naar een tandarts,” zei Frida meteen.
“Nee.”
“Eva…”
“In Noorwegen? Echt niet.”
Frida had haar telefoon al vast.
“Er zit er eentje vlakbij.”
“Verraadster.”
Eva haatte tandartsen met een indrukwekkende overtuiging. Zeeziek worden, storm, koude nachten aan boord geen probleem. Maar een tandartspraktijk maakte haar direct vijf jaar oud.
“Misschien gaat het vanzelf weg.”
“Dat zeggen mensen altijd vlak voordat het erger wordt,” zei Alyssa.
Eline zat ondertussen op de rand van de steiger met haar voeten boven het water te slingeren alsof dit gesprek totaal niet belangrijk was.
“Misschien trekken ze gewoon al je tanden eruit,” zei ze vrolijk.
“Dank je Eline.”
“Graag gedaan.”
Uiteindelijk wist Eva zelf ook dat ze geen keuze had. Dus liepen ze samen de stad in: Frida voorop alsof ze een missie leidde, Alyssa ernaast met voortdurend commentaar, Eva mokkend achteraan en Eline die om alles heen slingerde alsof de stoep een avonturenparcours was.
Ik bleef aan boord. Iemand moest bij de boot blijven, zei ik. Maar eigenlijk wilde ik gewoon even stilte. Gewoon zitten in de kuip met koffie en kijken naar het water van de haven. Na weken varen voelde de boot inmiddels meer als thuis dan veel huizen waar ik ooit had gewoond.
Later hoorde ik hoe de stad langzaam onder hun huid kroop terwijl ze erdoorheen liepen. Kristiansand had geen grote drukte nodig. Geen spektakel. Alleen witte houten huizen, smalle straatjes en kleine winkels waar de geur van kaneelbroodjes en koffie telkens naar buiten waaide zodra een deur openging.
Posebyen vonden ze het mooist. Het oude deel van de stad waar de huizen scheef tegen elkaar lijken te leunen alsof ze elkaar al honderd jaar overeind houden. Overal bloemenbakken. Fietsen tegen gevels. Kleine steegjes die nergens heen leken te gaan behalve naar nóg meer rust.
Frida wilde overal kijken.
“We moeten iets meenemen.”
“Waarom?” vroeg Alyssa.
“Omdat pa altijd alles regelt.”
“Dus nu krijgt hij een prijs?”
“Misschien.”
Eva liep nog steeds half met haar hand tegen haar gezicht gedrukt.
“Als iemand een winkel ziet die kiezen verkoopt hoor ik het graag.”
Bij de tandartspraktijk bleef ze stokstijf staan.
“Ik ga niet naar binnen.”
“Jawel,” zei Frida.
“Misschien sterf ik liever.”
“Van kiespijn?”
“Ja.”
Eline keek naar het bord.
“In het Noors klinkt tandarts eigenlijk best vriendelijk.”
“Niets aan een tandarts is vriendelijk,” mompelde Eva.
Toen de deur uiteindelijk achter haar dichtviel bleven de anderen even buiten staan.
“Hoe lang denk je?” vroeg Alyssa.
“Geen idee,” zei Frida.
“Zullen we de stad verder in gaan?”
Dus deden ze dat.
En eerlijk gezegd was dat misschien wel precies wat Kristiansand goed kon: je laten rondlopen zonder doel. Ze dwaalden langs de haven, langs kleine winkels vol wollen truien, kaarten van de Noorse kust en handgemaakte spullen van hout en messing. Overal rook het naar zee en koffie tegelijk.
Eline probeerde ondertussen alles te beklimmen waar dat eigenlijk niet de bedoeling van was.
“Als jij in dat water valt laten we je daar,” zei Alyssa.
“Nee hoor.”
“…waarschijnlijk niet.”
Uiteindelijk kwamen ze in een klein winkeltje vlak bij de kade. Zo’n zaak waar alles eruitziet alsof iemand het met de hand heeft gemaakt tijdens lange winteravonden. Hout. Messing. Touwen. Oude kaarten aan de muur.
En daar vonden ze het.
Een klein kompas in een houten doosje. Zwaar voor zijn formaat, met een gegraveerde windroos bovenop. Volkomen nutteloos voor iemand die moderne navigatieapparatuur aan boord had. Maar toch perfect.
“Dit is echt iets voor pa,” zei Frida.
“Waarom?” vroeg Eline.
“Omdat hij hier veel te lang serieus naar gaat kijken.”
Dus kochten ze het. Met papier eromheen dat mooier was dan het cadeau zelf.
Toen ze later terugkwamen zat ik nog steeds aan boord met een kaart opengevouwen op tafel. De avondzon hing laag boven de haven en kleurde het water goud.
“En?” vroeg ik.
“Ik leef nog,” zei Eva terwijl ze voorzichtig ging zitten.
“Hoe erg?”
“Ontsteking.”
“Oei.”
“Antibiotica. En een Noorse tandarts die veel te vrolijk was.”
Daarna kreeg ik het pakje in handen gedrukt.
“Wat is dit nou weer?” vroeg ik.
“Gewoon,” zei Frida.
“Voor jou.”
Ik maakte het langzaam open. Het kompas glansde warm in het avondlicht.
“We hebben letterlijk goede navigatie spullen aan boord.”
“Dat weten we,” zei Alyssa.
“Dus dit heeft totaal geen nut.”
“Klopt,” zei Frida.
“Maar toch.”
Ik draaide het doosje in mijn handen terwijl de naald langzaam zijn richting zocht. Buiten tikte het water zacht tegen de romp. Noorwegen om ons heen. De zee die verderop alweer wachtte.
En voor heel even hoefde niemand ergens heen.
