38. De haven waar thuis ineens verdween
Leith begon langzaam vertrouwd te voelen. Dat was misschien nog wel het gevaarlijkste van havens. Zodra je de bakker weet te vinden, de kortste route naar koffie kent en de havenmeester je groet alsof je er thuishoort, ontstaat vanzelf de illusie dat je best nog even kunt blijven. Buiten hing Edinburgh onder een grijze lucht die voortdurend dreigde met regen zonder ooit echt door te zetten. De wind trok langs de oude stenen gebouwen alsof hij daar al honderden jaren hetzelfde rondje liep. Meeuwen schreeuwden boven de haven en ergens verderop klonk muziek uit een pub die waarschijnlijk al open was sinds de middeleeuwen. Aan boord van de Freja Luna was de sfeer ondertussen… verdeeld.
Niet ruzieachtig verdeeld. Meer alsof iedereen langzaam een andere horizon begon te zien. Frida zat inmiddels al dagen kaarten te bestuderen alsof de toekomst persoonlijk afhankelijk was van haar markeerstiften. Eva bleef opvallend vaak hangen bij foto’s van Honningsvåg. Sneeuw. Ons huis. De haven in de winter. Alyssa deed alsof het haar allemaal niets interesseerde maar stelde ondertussen verdacht veel vragen over oceaanstromingen. En Eline? Die wilde vooral verder. Altijd verder. Die ochtend had ik het opgegeven. Niet dramatisch. Gewoon verstandig.
“Jullie zoeken het maar uit,” zei ik terwijl ik mijn jas aantrok.
“Ik ga de stad in.”
“Dat klinkt als iemand die emotioneel verslagen is,” zei Alyssa vanaf de bank.
“Dat ben ik waarschijnlijk ook.”
“Neem snacks mee,” riep Eline.
Dat kind had prioriteiten waar je respect voor moest hebben. Dus liep ik Leith in. Alleen. En eerlijk gezegd voelde dat goed. Na maanden samen op een boot leef je bijna constant in elkaars hoofd. Iedere zucht, iedere irritatie, iedere grap. Soms heb je even ruimte nodig om weer normaal mens te worden in plaats van onderdeel van een drijvend circus. Ik liep zonder doel door de stad. Dat was misschien nog wel het prettigste eraan. Geen route. Geen planning. Gewoon lopen totdat iets interessant genoeg lijkt om stil te blijven staan. Edinburgh bleek daar perfect voor gemaakt.
Oude steegjes waar het rook naar regen en steen. Kleine boekwinkels vol kaarten en vergeelde reisverhalen. Muzikanten op straathoeken die speelden alsof ze dat al hun hele leven deden. Mensen die haast leken te hebben zonder ooit echt ergens aan te komen. Soms bleef ik gewoon stilstaan. Kijken.
Naar een oude man die zijn hond uitliet in volledige Schotse regen alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Naar toeristen die zichzelf probeerden droog te houden onder paraplu’s die zichtbaar geen schijn van kans hadden. Naar pubs waar warm geel licht naar buiten viel alsof de stad je voortdurend uitnodigde om even binnen te komen. En misschien was dat het moment waarop ik pas echt begon te beseffen hoe vreemd ons leven geworden was. Een paar maanden eerder was alles overzichtelijk geweest. Werk. Huis. Routine. Nu liep ik alleen door Edinburgh terwijl mijn vier dochters op een boot lagen te discussiëren over oceaanoversteken alsof dat een normale woensdagactiviteit was. Ik glimlachte bij die gedachte.
Want eerlijk?
Ik was trots op ze. Meer dan ik soms kon uitleggen. Niet alleen omdat ze het varen zo goed oppakten. Maar omdat ze langzaam veranderden onderweg. Groter werden. Zelfstandiger. Alsof de zee stukjes van hen naar boven haalde die aan land verborgen bleven. Frida die ineens verantwoordelijkheid droeg zonder dat iemand haar daarom vroeg. Eva die rust bracht op momenten waarop iedereen moe werd.
Alyssa die spanning kon breken met één droge opmerking. En Eline…
Dat kleine gevaarlijke mensje dat nergens angst leek te kennen zolang de horizon maar veranderde.
Terwijl ik door de stad liep besefte ik ineens dat ik ze eigenlijk een beetje kwijt aan het raken was. Niet op een slechte manier. Meer zoals ouders dat ooit moeten voelen wanneer kinderen ineens harder groeien dan je zelf kunt bijhouden.
Iedere stap die ik zette deden zij er inmiddels minimaal twee.
En gek genoeg vond ik dat tegelijk prachtig en doodeng.
Uiteindelijk belandde ik ergens in een donkere pub waarvan ik de naam direct weer vergat zodra ik binnenstapte. Lage houten balken. Oude foto’s aan de muur. Een haardvuur dat waarschijnlijk warmer was dan wettelijk toegestaan. En bier. Heel veel bier.

De pub zat vol met precies het soort mensen dat daar waarschijnlijk iedere dag zat. Oude mannen aan de bar. Mensen die elkaar blijkbaar al dertig jaar dezelfde verhalen vertelden zonder dat iemand het vervelend leek te vinden.
“First time in Scotland?” vroeg de barkeeper. Dat accent bleef fascinerend. Alsof iedere zin begon als ruzie maar uiteindelijk toch vriendelijk eindigde.
“Dat hoor je zeker vaker?” vroeg ik.
Hij grijnsde.
“Only from tourists.”
Uiteindelijk werd het zo’n middag die vanzelf uitloopt zonder dat je merkt hoe laat het wordt. Gesprekken met mensen die je nooit meer terugziet maar die toch uren voelen als oude kennissen. Een oudere Schot vertelde me twintig minuten lang waarom Noorwegen eigenlijk gewoon “Scotland with more snow” was. Een andere man beweerde serieus dat hij ooit een walvis had beledigd tijdens een storm. Ik besloot niet door te vragen. En ergens tussen twee glazen zwaar donker Schots bier gebeurde iets wat waarschijnlijk voorkomen had kunnen worden als iemand verantwoordelijk toezicht had gehouden.
Ik kocht een kilt.
Geen goedkope toeristenversie ook. Een echte. Wol. Zwaar ding. Compleet met sokken waar je oorlogen mee kon winnen. Waarom? Geen idee. Misschien omdat Schotland langzaam onder je huid kruipt zonder dat je het merkt. Misschien door het bier. Misschien omdat je na maanden op zee soms gewoon iets compleet absurds moet doen om jezelf eraan te herinneren dat het leven niet alleen uit koerslijnen en weerkaarten bestaat.

Hoe dan ook: twee uur later liep ik serieus door Leith in een kilt alsof dit een volledig logische ontwikkeling in mijn leven was.
Pas vlak voor de haven begon ik te beseffen dat de meiden hier waarschijnlijk een mening over zouden hebben.
En terecht. Toen ik uiteindelijk de steiger opliep lag de Freja Luna rustig in het water alsof de boot zelf al teleurgesteld naar me keek. Licht brandde in de kajuit. Gelach binnen.
Ik stapte aan boord. Het bleef precies drie seconden stil. Daarna brak complete chaos uit. Ik stapte aan boord.
Eline viel letterlijk van de bank van het lachen.
Alyssa maakte een geluid alsof ze fysiek geen lucht meer kreeg.
Eva sloeg beide handen voor haar gezicht.
En zelfs Frida verloor volledig haar waardigheid.
“NEE.” riep Alyssa.
“Absoluut niet.”
“Wat?” zei ik zo serieus mogelijk.
“Dit is cultureel respect.”
“Dit is een midlifecrisis met Schotse accenten,” zei Eva huilend van het lachen.
Eline kon inmiddels nauwelijks nog praten.
“Pap…” hijgde ze.
“…waarom heb jij benen ineens?”
“Die had ik al.”
“Dat was theoretische informatie.”

Zelfs ik begon uiteindelijk te lachen. Misschien juist omdat het zo belachelijk was. Daar stond ik dan. Vader van vier dochters. Wereldreiziger zogenaamd. In een Schotse kilt midden in een kajuit vol hysterisch lachende meiden.
“Je lijkt op een gevaarlijke doedelzakspeler,” zei Alyssa.
“Dankjewel.”
“Ik bedoelde dat niet positief.”
Frida probeerde ondertussen serieus te blijven maar gaf het uiteindelijk op.
“Oké,” zei ze lachend.
“Je wint.”
“Waarvan?”
“Geen idee. Maar je wint.”
Langzaam werd het rustiger in de kajuit. Buiten tikte regen zacht tegen het dek terwijl binnen nog af en toe iemand opnieuw begon te lachen zodra ze naar de kilt keek. Vooral Eline. Die was volledig ontspoord.
“Alsjeblieft draag dit nooit in Florida.”
Dat was het moment waarop ik stilviel.
“Florida?”
Heel even keek iedereen elkaar aan. Dat soort blikken waarbij je direct weet dat er gesprekken hebben plaatsgevonden zonder jou.
Frida schoof langzaam de kaarten op tafel iets dichterbij.
“Oké,” zei ze.
“Wij hebben een besluit genomen.”
Dat klonk gevaarlijk officieel.
Eva glimlachte voorzichtig.
“We hebben eigenlijk de hele middag gepraat.”
“En geruzied,” vulde Alyssa aan.
“Belangrijk detail.”
Eline schoof enthousiast naar voren.
“We gaan niet naar huis.”
Dat kwam er sneller uit dan verwacht.
Niet hard. Niet gemeen. Gewoon eerlijk.
Frida draaide een kaart open.
“Eerst zuidelijk.”
Haar vinger gleed langs Engeland richting de Franse kust.
“Guernsey.”
Daarna verder.
Frankrijk. Spanje. Portugal.
En toen schoof ze een tweede kaart open.
De Canarische Eilanden.
Zelfs in het warme licht van de kajuit voelde dat ineens groot.
“Wacht,” zei ik langzaam.
“Dus jullie hebben serieus een plan gemaakt?”
“Een goed plan,” verbeterde Frida direct.
“Discussiepunt,” mompelde Alyssa.
Eva keek me aan.
“We willen niet nu al terug naar Honningsvåg.”
Dat zei ze zacht, bijna voorzichtig. Alsof ze bang was dat het pijn zou doen. Maar eerlijk gezegd begreep ik het meteen.
Ze waren nog niet klaar met ontdekken. Nog niet klaar met onderweg zijn. En toen kwam het echte gedeelte.Frida draaide nog een kaart open. Atlantische Oceaan. Handelswinden. Een lange lijn richting het westen.
“Na het orkaanseizoen,” zei ze rustig.
“Eind november ongeveer…”
Mijn blik volgde haar vinger.
Florida.Even zei niemand iets. Alleen regen buiten. En ergens in de haven het geluid van een lijn die tegen een mast tikte in de wind.
“We gaan oversteken?” vroeg ik uiteindelijk.
Eline glimlachte breed.
“Ja.”
“De Atlantische Oceaan?”
“Dat is meestal hoe Amerika werkt,” zei Alyssa.
Ik keek naar vier meiden die maanden geleden nog gewoon thuis aan tafel zaten. Nu lagen er oceaanroutes voor hen alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Frida met haar berekeningen. Eva die rustiger was dan iedereen. Alyssa die deed alsof het allemaal één grote grap was terwijl ze stiekem allang verkocht was. En Eline… die waarschijnlijk morgen nog vrijwillig naar de maan zou varen als iemand een boot groot genoeg bouwde.
“Dus…” zei ik langzaam terwijl ik naar de kaarten keek.
“Jullie willen echt naar Amerika varen?”
“Ja,” zei Eva zacht.
“Eigenlijk wel.”
Heel even keek ik naar buiten. Naar de regen boven Leith. Naar de haven die ineens veel kleiner voelde dan eerst.
En gek genoeg voelde het niet absurd.
Alleen groot.
Heel groot.
Eline keek ondertussen alweer naar mijn kilt.
“Dus…” zei ze serieus.
“Ga je deze ook dragen tijdens de oceaanoversteek?”
De hele kajuit ontplofte opnieuw van het lachen.