34. De zee roept terug

34. De zee roept terug

De woorden bleven door mijn hoofd gaan alsof ze ergens waren blijven haken.

Als jullie morgenochtend vertrekken, gaan jullie haar tegenkomen.

Kort. Simpel. Maar precies daardoor bleef het zo hangen. Geen uitleg. Geen naam. Geen grap die je direct kon herkennen. Alleen die ene zin die steeds opnieuw opdook zodra het even stil werd in mijn hoofd. Die nacht sliep ik slecht. Niet vanwege wind of beweging voor het eerst in lange tijd lag de boot juist volledig stil in de haven van Den Helder maar juist daardoor kreeg mijn hoofd teveel ruimte. Iedere keer als ik bijna wegzakte kwam die boodschap weer terug.

Haar.

Niet iets.
Niet problemen.
Haar.

Ik draaide me nog eens om in mijn kooi en keek naar het zachte schommelen van licht tegen het plafond van de kajuit. Buiten tikten lijnen af en toe tegen de mast. Verder was het stil. De meiden sliepen diep na de lange avond met familie. Af en toe hoorde ik iemand draaien of zacht mompelen in haar slaap. Naast me lag de Nokia Communicator opengeklapt op tafel. Oud ding eigenlijk. Log, zwaar en waarschijnlijk volledig belachelijk in een wereld vol moderne telefoons. Maar ergens paste hij bij de boot. Bij kaarten, kompassen en dingen die gewoon degelijk moesten werken. Ik pakte hem opnieuw. Het onbekende nummer stond nog steeds bovenaan. Geen naam. Geen landcode die direct iets duidelijk maakte. Alleen cijfers. Voor de derde keer die nacht drukte ik op bellen. Even stilte. Daarna opnieuw dezelfde voicemail. Geen stem. Alleen een automatische melding dat de abonnee niet bereikbaar was. Ik verbrak de verbinding voordat de piep kwam.
“Wat of wie zouden we tegenkomen…” mompelde ik zacht tegen niemand.
Buiten floot ergens wind langs de verstaging. Rond half vijf gaf ik het op. Slapen ging toch niet meer lukken. Ik trok een trui aan en kroop de kajuit uit. De lucht boven Den Helder was nog donkerblauw, ergens tussen nacht en ochtend in. In de haven brandden verspreid wat lampen. Masten bewogen zacht tegen de hemel.

De Noordzee lag ergens achter de dijk te wachten. Onzichtbaar nog, maar aanwezig. Dat voel je in een havenstad. Zelfs wanneer je het water niet ziet. Ik zette koffie. Sterk. De geur vulde langzaam de kajuit terwijl ik automatisch begon met de routine van vertrek. Water controleren. Kaarten klaarleggen. Weerbericht nog één keer bekijken. Alles doen alsof het een gewone ochtend was. Maar dat was het niet helemaal. Steeds weer keek ik ongemerkt naar die telefoon. Alsof er ieder moment nog een bericht kon verschijnen. Boven me hoorde ik voetstappen. Natuurlijk Eline.

“Waarom ben jij wakker?” vroeg ik.
“Waarom ben jij wakker?” kaatste ze direct terug.

Daar viel weinig tegenin te brengen. Ze schoof slaperig tegenover me aan tafel terwijl ik een mok warme chocolademelk voor haar neerzette.

“Spannend?” vroeg ze.

Ik keek even naar buiten voordat ik antwoord gaf.

“Beetje.”

Eline knikte alsof dat een volledig logisch antwoord was.

“Dat hoort denk ik.”

Soms vergat ik dat ze pas vijftien was. En soms juist helemaal niet. Langzaam werd de boot wakker. Frida verscheen met half nat haar en direct een weerkaart in haar hand alsof ze persoonlijk verantwoordelijk was voor de atmosfeer boven de Noordzee. Eva zette stil muziek aan terwijl Alyssa beneden dramatisch aankondigde dat “vrijwillig de Noordzee oversteken eigenlijk een psychologisch interessant groepsprobleem” was. Normaal zou ik daar meteen op reageren. Nu glimlachte ik alleen half.

Frida keek me even aan.
“Slecht geslapen?”

Te scherp. Net als Luna vroeger.

“Beetje.”
“Je kijkt alsof je een spook hebt gezien.”

Heel even twijfelde ik. Maar uiteindelijk haalde ik de Nokia uit mijn zak en schoof hem naar haar toe.

“Lees maar.”

De tafel werd langzaam stiller terwijl iedereen het bericht las.

Eline fronste.
“Dat is creepy.”
“Misschien gewoon iemand die grappig probeert te doen,” zei Eva.
“Met wie?” vroeg Alyssa direct.
“Wij kennen hier letterlijk bijna niemand.”

Frida bleef iets langer naar het scherm kijken.

“Heb je gebeld?”
“Voicemail.”
“Meer berichten?”
“Nee.”

Even bleef het stil. Toen haalde Alyssa haar schouders op.
“Nou ja. Misschien komen we gewoon een vrouw tegen.”
“Dankjewel Sherlock,” zei Eva.

Maar toch voelde niemand zich er echt helemaal makkelijk onder. Dat merkte ik meteen. Niet bang. Meer datzelfde gevoel dat ik zelf ook had. Alsof er iets nét buiten beeld hing. Tegen zonsopkomst liepen we naar buiten om los te gooien. De lucht kleurde langzaam grijsroze boven de haven terwijl de eerste meeuwen alweer krijsend over het water trokken. Op de steiger stonden opa’s en oma’s dik ingepakt in jassen ons uit te zwaaien. Luna’s moeder sloeg haar armen nog één keer stevig om de meiden heen. Mijn vader gaf me een klap op mijn schouder zoals vaders dat doen wanneer woorden eigenlijk niet genoeg zijn. “Voorzichtig,” zei hij alleen. Ik knikte. De motor startte zwaar brommend onder ons terwijl de lijnen losgingen. Langzaam draaiden we de haven uit. Achter ons werden de mensen op de steiger kleiner. Vier grootouders die bleven zwaaien tot we bijna de havenmond uit waren verdwenen. Eline stond achterom te kijken zolang ze kon.

“Ze worden echt klein hè,” zei ze zacht.

Niemand antwoordde direct. Buiten de haven lag de Noordzee grijs en uitgestrekt onder een lage ochtendlucht. Niet wild. Nog niet. Alleen eindeloos. United Kingdom lag ergens aan de overkant. Nog onzichtbaar achter mijlen water, stroming en scheepvaart. Ik voelde hoe de boot langzaam haar ritme weer vond zodra de deining terugkwam onder de romp. Alsof ze zelf opgelucht was eindelijk weer onderweg te zijn.

Maar diep vanbinnen bleef dat ene bericht rondzingen.

Jullie gaan haar tegenkomen.

De eerste uren verliepen verrassend rustig. Wind uit noordwest, iets harder dan voorspeld maar nog comfortabel. Lange golven. Donkere lucht ver weg aan de horizon, maar niets zorgwekkends. Frida hield de weerkaarten scherp in de gaten.
“Hij verdiept sneller,” zei ze ergens rond het middaguur.
“Hoeveel sneller?” vroeg ik.
Ze keek me even aan.
“Genoeg.”

Dat ene woord was voldoende. Langzaam begon de lucht dicht te trekken. Eerst onschuldig grijs. Daarna donkerder. De horizon verdween langzaam in regenflarden. De wind trok aan met dat typische geluid dat iedere zeiler direct herkent: niet harder ineens, maar voller. Meer kracht erin.

Eva keek naar het westen.
“Dat ziet er niet gezellig uit.”
“Dat is meteorologisch correct,” zei Alyssa terwijl ze haar capuchon opzette.

Tegen de avond was de Noordzee veranderd. Golven werden steiler. Korter ook. Niet meer de rustige deining van eerder maar echte Noordzeegolven die schuin onder de romp binnenkwamen en het schip hard lieten rollen. Wind floot nu constant door de verstaging. Regen sloeg horizontaal over het dek. Iedereen bewoog direct. Geen paniek. Geen chaos. Alleen snelheid. Frida bij de lijnen. Eva gezekerd aan dek. Alyssa die ondertussen commentaar bleef leveren alsof we in een slechte actiefilm terecht waren gekomen.

“Dit is dus exact waarom normale mensen op vakantie vliegen!”

Een golf sloeg tegen de boeg uiteen en gooide een muur van water over dek.

“Oké!” schreeuwde ze.
“Misschien iets minder Noordzee!”

Eline zat beneden vastgesjord in de kajuit maar zelfs daar hoorde je de wind nu gieren rond de romp alsof iemand buiten voortdurend probeerde binnen te komen. Toen kwam de eerste echte klap. Een golf veel groter dan de rest tilde de boot op alsof hij gewichtloos werd en liet haar daarna hard in het volgende dal vallen. Hout kraakte diep vanuit de romp. Servies vloog ergens beneden tegen elkaar.

Frida keek me aan.
“Dit wordt serieus.”

Ik knikte alleen maar terwijl ik het roer stevig vasthield. De zee om ons heen was inmiddels zwart geworden onder een bijna nachtelijke lucht. Windvlagen sloegen schuim van de golftoppen alsof complete stukken zee door de lucht werden weggeblazen. En toen trilde ineens de Nokia op de kaartentafel beneden. Drie korte piepjes. Eva pakte hem als eerste.

“Pa…”

Ik zag haar gezicht veranderen terwijl ze het scherm las. Ik liep naar beneden en keek over haar schouder mee.

“Je hebt haar gevonden. Ik heb je gewaarschuwd.”

Precies op dat moment sloeg een golf zo hard tegen de zijkant dat de boot volledig schuin wegviel. De mast leek even horizontaal tegen de zwarte lucht te hangen.

“Wat de hel…” mompelde Alyssa.

Nog voordat iemand iets kon zeggen piepte de telefoon opnieuw.

“Succes.”

Dat was alles. Geen uitleg. Geen naam. Alleen dat ene woord terwijl buiten de Noordzee steeds harder tekeerging alsof ze persoonlijk beledigd was dat wij haar probeerden over te steken. Ik probeerde opnieuw het nummer te bellen. Geen bereik. Natuurlijk niet. De wind zat inmiddels ruim boven de veertig knopen. Misschien meer in de vlagen. Het geluid alleen al maakte praten moeilijk. Water sloeg voortdurend over dek. De boot werkte zwaar in de golven maar bleef gaan. Steeds weer omhoog. Steeds weer naar beneden. Toen kwam nog één bericht binnen. De Nokia piepte bijna verloren tussen wind en regen.

Frida keek me aan.
“Lees voor.”

Ik keek naar het scherm. En ineens moest ik lachen. Echt lachen. Midden in die complete chaos.

“Wat?” riep Eva.

Ik draaide het scherm om.

“Houd het zeil boven. Groet Kees.”

Heel even bleef iedereen stil.Toen begon Alyssa hard te lachen. “Die ouwe gek!” Zelfs Frida schudde ongelovig haar hoofd.
“Kees stuurt cryptische stormwaarschuwingen?”
“Blijkbaar,” zei ik.
Buiten sloeg opnieuw een enorme golf over het voordek. De Noordzee brulde rondom ons alsof ze alles wilde testen wat we tot nu toe geleerd hadden. Maar ergens veranderde er iets op dat moment. Misschien omdat de angst ineens een gezicht had gekregen. Geen spook. Geen mysterieus verhaal. Gewoon Kees. Die oude wereldzeiler uit Harderwijk die waarschijnlijk één blik op de nieuwste weerkaarten had geworpen en wist wat ons tegemoet kwam. En terwijl de boot zich opnieuw omhoog werkte tegen een zwarte muur van water hoorde ik Eline beneden roepen:

“Hoeveel uur nog?”

Geef een reactie