33. De avond vóór de Noordzee

33. De avond vóór de Noordzee

De kaart na Den Helder

Die avond in Hotel Lands End bleef het lang onrustig gezellig aan tafel. Niet luid of druk, maar warm. Alsof niemand echt haast had om weg te gaan. Buiten trok de wind langs de dijk van Den Helder terwijl binnen glazen zacht tegen elkaar tikten en het geroezemoes van andere gasten opging in het geluid van bestek en zachte muziek. Voor ons voelde het bijna vreemd luxe. Geen bewegende tafel. Geen pannetjes die vastgezet moesten worden. Geen mokken die vanzelf over de kaartentafel schoven zodra een golf verkeerd binnenkwam. Gewoon zitten. Stil. Op land.

De meiden zaten verspreid tussen opa’s, oma’s en verhalen in alsof ze nooit anders hadden gedaan.

Eline vertelde voor de derde keer hoe zij “eigenlijk grotendeels verantwoordelijk” was geweest voor het halen van Den Helder.
“Ik heb de ETA berekend.”
“Je hebt één sommetje gemaakt,” zei Alyssa.
“Een belangrijk sommetje.”
“Rustig Einstein.”

Aan de andere kant van de tafel zat Frida inmiddels met Luna’s vader over windrichtingen en weersystemen te praten alsof ze samen een oceaanrace gingen voorbereiden.

“Dus die noord/noordoostelijke stroming hielp echt?” vroeg hij.
“Windrichting,” verbeterde Frida direct.
“De stroming was anders.”

Ik zag hem glimlachen. “Ze lijkt op haar moeder.” Dat bleef vreemd binnenkomen. Mooi vreemd. Pijnlijk vreemd. Allebei tegelijk. Eva zat ondertussen naast Luna’s moeder en liet foto’s zien van Noorwegen. Fjorden. Mist. Eline slapend in een reddingsvest. Alyssa die dramatisch deed alsof ze verdronk in twintig knopen wind.

“Dat kind,” lachte Luna’s moeder zacht.
“Welke?” vroeg Eva.
“Alle vier eigenlijk.”

Ik keek om me heen terwijl iedereen door elkaar praatte. Mijn ouders. Haar ouders. Vier meiden die half over elkaar heen verhalen vertelden alsof stilte verboden was. En ergens besefte ik hoe bijzonder dit moment eigenlijk was. Alsof twee delen van een leven die jarenlang los van elkaar hadden bestaan ineens weer even samen aan tafel zaten.

Na het eten bleven we nog lang hangen terwijl buiten langzaam de avond donker werd boven de haven. De gesprekken werden rustiger. Serieuzer soms ook. Dat gebeurt vaak later op de avond wanneer niemand meer bezig is met aankomen.

Mijn vader nam een slok koffie en keek me aan.
“Dus…” zei hij langzaam.
“Wat is nu eigenlijk het plan?”

Iedereen keek vrijwel tegelijk onze kant op.

“Ja,” zei opa.
“Waar gaan jullie hierna heen?”

Ik moest lachen.
“Dat is een vrij grote vraag.”

“Nou ja,” zei mijn moeder.
“Jullie gaan niet gewoon een rondje Wadden doen volgens mij.”

“Nee,” zei Alyssa.
“Dat zou een anticlimax zijn.”

Eline zat ondertussen al opnieuw op een servetje te tekenen.

“Hier zijn wij,” zei ze terwijl ze een scheve stip zette.
“En hier is ongeveer de wereld.”

“Sterke navigatie weer,” mompelde Eva.

Luna’s vader keek me aan.
“Maar serieus… wat is het vervolg?”

Heel even bleef het stil aan tafel. Niet ongemakkelijk. Meer omdat iedereen wist dat het antwoord groter was dan een simpele routebeschrijving. Ik keek naar buiten door het raam van het restaurant. De lichten van de haven weerspiegelden in het donkere water. Onze boot lag ergens verderop rustig aan de steiger alsof hij zelf ook luisterde.

“Moeilijk te zeggen,” zei ik eerlijk.
“We weten het niet precies.”
Frida knikte direct.
“Dat is ook juist het idee.”
“Maar jullie hebben toch wel een richting?” vroeg oma.
“Natuurlijk,” zei Eva.
“Eerst de Noordzee oversteken.”

Dat klonk ineens groter zodra het hardop werd uitgesproken. De Noordzee. Niet meer tussen havens hoppen langs de kust. Geen relatief beschutte stukken tussen Noorwegen en Denemarken. Maar echt oversteken. Richting Engeland. Open water. Scheepvaart. Weer dat sneller kon veranderen dan je plannen. Eline schoof haar servetje verder over tafel.

“Als de wind goed blijft kunnen we waarschijnlijk richting Engeland of Schotland eerst.”
“Waarschijnlijk?” vroeg Alyssa.
“Misschien.”
“Dus je hebt geen idee.”
“Ik heb concepten van ideeën.”

Iedereen moest lachen. Zelfs Luna’s moeder. Maar daarna werd het weer stiller.

“Vind je het niet eng?” vroeg mijn moeder uiteindelijk.
“Met z’n vijven?”

Ik dacht even na voordat ik antwoord gaf.

“Jawel,” zei ik eerlijk.
“Soms wel, meestal wel.”

Niemand keek verbaasd. Misschien juist omdat eerlijkheid geloofwaardiger klinkt dan stoer doen.

“Maar gek genoeg vertrouw ik ze ook,” vervolgde ik.
“Meer dan aan het begin.”

Mijn blik ging vanzelf langs de meiden aan tafel. Frida die overal structuur in bracht zodra iets ingewikkeld werd. Eva die rustig bleef wanneer iedereen tegelijk begon te praten.
Alyssa die spanning kon breken met één droge opmerking. En Eline… die overal avontuur bleef zien waar anderen vooral problemen zagen. Luna’s moeder glimlachte terwijl ze naar hen keek.

“Ze zijn sterk geworden.”
Ik knikte langzaam.
“Ja,” zei ik zacht.
“Dat zijn ze.”

Heel even voelde het alsof Luna zelf ergens tussen ons aan tafel zat. Niet letterlijk. Meer in de manier waarop iedereen naar de meiden keek. Alsof zij nog steeds zichtbaar was in alles wat zij geworden waren.

“En daarna?” vroeg opa.
“Na de Noordzee?”

Frida keek me aan alsof ik vooral geen saai antwoord mocht geven. Ik haalde diep adem.

“Daarna zien we wel.”
“Dat is geen plan,” zei Alyssa direct.
“Dat is letterlijk het tegenovergestelde van een plan.”
“Jawel,” zei ik.
“Het is een zeilplan.”

Dat vond de havenmeester, die later nog even was binnengelopen voor koffie, blijkbaar een uitstekend antwoord.

“Precies, zeilers hebben altijd een plan en dat noemen ze altijd geen plan” zei hij.
“De mooiste reizen ontstaan meestal ná het punt waarop je stopt om alles volledig te willen controleren.”

Buiten sloeg ergens een vlag hard in de wind. Binnen werden lege glazen verzameld terwijl het restaurant langzaam rustiger werd. En toch voelde het alsof de reis daar, aan die tafel in Den Helder, pas echt begon. Niet toen we Noorwegen verlieten. Niet na de overtocht naar Esbjerg. Maar nu. Omdat iedereen ineens begreep dat dit groter werd dan alleen een tocht langs havens. Een wereldreis misschien.

Net toen we opstonden van tafel en stoelen langzaam over de houten vloer schoven, bleef ik nog heel even zitten. Iedereen praatte door elkaar heen. Jassen. Gelach. Opa die iets zei over de wind van morgen. Eline die beweerde dat zij prima een oceaanstorm aankon zolang er genoeg snacks waren. Maar ergens viel mijn aandacht ineens naar buiten. De haven van Den Helder lag donker achter de ramen van Hotel Lands End. Masten bewogen zacht in de wind. Lichtjes weerspiegelden lang in het zwarte water. Onze boot lag verderop bijna stil tussen de andere schepen. Klein tegen de nacht. En toch voelde er iets vreemd. Alsof de lucht veranderd was. Niet zichtbaar misschien. Meer iets wat je voelt na weken op zee. Een spanning in wind en water die moeilijk uit te leggen is aan mensen die nooit nachten op open zee hebben doorgebracht. Mijn telefoon trilde kort in mijn zak. Eén bericht. Geen naam erbij. Alleen een onbekend nummer. Ik haalde hem eruit en keek naar het scherm. Er stond maar één zin.

“Als jullie morgenochtend vertrekken, gaan jullie haar tegenkomen.”

Meer niet. Geen uitleg. Geen afzender. Heel even hoorde ik de stemmen om me heen niet meer. Alleen het zachte tikken van regen tegen het raam en ergens buiten een scheepshoorn diep over het water.
“Pa?” hoorde ik Eva vragen.
“Gaat het?”
Ik keek langzaam weer op. Aan de andere kant van het restaurant stond Luna’s moeder naar me te kijken alsof ze direct zag dat er iets veranderd was. Ik vergrendelde mijn telefoon.
“Ja,” zei ik.
“…denk het wel.”
Maar diep vanbinnen wist ik ineens één ding zeker.

De Noordzee zou ons niet zomaar laten vertrekken.

Geef een reactie