23. Goed Genoeg
De volgende ochtend was… stil. Verdacht stil. Geen plannen. Geen “pap we moeten ergens heen.”
Geen winkels. Alleen vier meiden. Slapend. Ik zat buiten met een kop koffie in mijn hand. Kopenhagen nog half wakker. En voor het eerst sinds dagen… geen druk. Ik keek naar het water. Naar de boten. Naar de stad die langzaam op gang kwam. En dacht aan gisteren. Aan het gelach. Aan de chaos. Aan de tassen. Veel tassen. En ergens glimlachte ik.
“Pap?”
Ik draaide me om.
Eline. Nog half slaperig. Maar met die blik.
“Ja?”
“Was het erg gisteren?”
Ik dacht even na. Lang.
“Ja,” zei ik.
Ze begon te lachen.
“Maar ook heel goed,” zei ik.
Ze ging naast me zitten.
“Dank je dat je het deed,” zei ze zacht.
Dat kwam binnen. Meer dan alle aankopen bij elkaar.
“Altijd,” zei ik.
Even stil.
“En je creditcard?” vroeg ze.
Ik keek haar aan.
“Die ligt nog te herstellen,” zei ik.
Ze lachte.
Langzaam kwam de rest erbij. Frida met koffie. Eva al met ideeën. Alyssa… gewoon Alyssa.
“Wat gaan we vandaag doen?” vroeg Eva.
Ik keek ze aan. Alle vier.
“Vandaag doen we helemaal niets.”
Stilte. “Dat meen je niet,” zei Frida.
“Dat meen ik wel.”
“Geen stad?” vroeg Alyssa.
“Geen stad.”
“Geen winkels?” zei Eline.
Ik keek haar strak aan.
“Zeker geen winkels.”
Gelach.
En zo gebeurde het.
We bleven aan boord. Geen druk. Geen plannen. Alleen zijn. Muziek op de achtergrond. Zon op het dek. Gesprekken zonder haast. Eva zat weer achter de apparatuur. Niet omdat het moest, maar omdat ze het leuk vond. Frida was aan het lezen. Eline lag in de zon alsof ze in een magazine hoorde. Alyssa wisselde tussen alles.
En ik?
Ik keek. Naar hen. Vier meiden. Vier persoonlijkheden. Vier verhalen. En één vraag. Doe ik het goed? Ik wist het antwoord niet. Nog steeds niet. Maar toen Eline haar hoofd tegen mijn schouder legde, Frida zonder iets te zeggen koffie naast me neerzette, Eva iets uitlegde wat ik niet begreep maar wel wilde begrijpen, en Alyssa gewoon naast me kwam zitten zonder reden…
toen wist ik genoeg. Niet perfect. Maar goed genoeg. Tegen het einde van de dag begon het weer te kriebelen.
“Pap,” zei Eva.
“Ja?”
“Wanneer gaan we weer varen?”
Ik keek naar de horizon.
“Binnenkort,” zei ik.
“Waarheen?” vroeg Frida.
Ik glimlachte.
“Verder, naar daar waar de wind ons brengt.”
En ergens wist ik:
Kopenhagen was mooi.
Maar het echte verhaal dat moest nog komen, ik had geen plan, ik wilde zo veel, misschien wel te veel.
Ik wilde antwoorden vinden op vragen die niemand durfde te stellen, ik wilde antwoorden op vragen die je niet kon vragen. Een antwoord op de vraag………
