10. Eerste Adem
Titel: Eerste Adem (en een motor die nergens in past)
De naam bleef hangen.
Niet alleen in mijn hoofd, maar overal. In het schip. In de lucht. In hoe de meiden het uitspraken alsof het nooit anders was geweest. Alsof Freja Luna altijd al had bestaan en wij alleen nog moesten ontdekken dat dat zo was. Ik had gedacht dat een naam iets was wat je koos. Blijkbaar was het iets wat je vond. Of misschien… wat je samen maakte.
“Dus,” zei ik terwijl ik tegen de romp van het schip leunde, “wie van jullie is het creatieve brein hier?”
“Wij,” zeiden Alyssa en Eva tegelijk.
“Dat is vals spelen,” zei ik. “Jullie delen een hersencel.”
“En die werkt uitstekend,” zei Eva.
“Beter dan die van jou,” zei Alyssa.
“Ik begin me hier steeds minder welkom te voelen,” mompelde ik.
“Dat heet opvoeden, pap,” zei Frida zonder op te kijken van haar werk.
“Ah, dus dit is mijn eigen schuld.”
“Volledig,” zei ze.
“Je bent precies je moeder.” zei ik
“Ja dan had je maar een condoom moeten gebruiken.” zei ze
Iedereen begon te lachen.
Daar was het weer. Dat kleine randje. Dat moment waarop alles even stil lijkt te vallen. Maar dit keer… brak het me niet. Het gleed langs me heen. En dat was misschien nog wel het vreemdste van alles.
De naam ging erop. Niet professioneel. Niet strak. Geen ceremonie met champagne en nette kleding. Nee. Met tape. Scheef. En met vier meiden die er doorheen praatten alsof het een schoolproject was.
“Hij hangt scheef,” zei Alyssa.
“Dat is karakter,” zei Eva.
“Dat is slordig,” zei Frida.
“Dat is mooi,” zei Eline.
Ik keek ernaar.
FREJA LUNA
“Het is perfect,” zei ik.
“Het is tape,” zei Frida.
“Het is ónze tape,” zei ik.
Ze rolde met haar ogen. Maar ik zag het. Die glimlach.

De dagen daarna begonnen we echt te bouwen. Of nou ja… We deden alsof we wisten wat we deden. Dat is eerlijker. De bouwer had ons inmiddels geaccepteerd als een soort noodzakelijk kwaad. Een gezin met ideeën. Veel ideeën. Te veel ideeën. En nul ervaring.
“Bert,” zei hij op een ochtend, “we moeten praten.” Dat is nooit een goed begin van een zin.
“Dat zeg je elke dag,” zei ik.
“Ja,” zei hij. “Omdat jij elke dag iets nieuws bedenkt.”
“Dat heet visie,” zei ik.
“Dat heet problemen,” zei hij.
“Problemen bestaan niet, het zijn uitdagingen.”zei ik
“Wat is het deze keer?” vroeg ik.
Hij wees naar de technische ruimte.
“Je generator.”
Daar gaan we weer.“Wat is er mis met mijn generator?” vroeg ik.
Hij keek me aan zoals een dokter naar iemand kijkt die net heeft gezegd dat hij zijn been er zelf wel even af zaagt.
“Hij is te groot.”
Ik zuchtte.
“Dat hoor ik vaker.”
“Hij is niet alleen te groot,” ging hij verder, “hij is… absurd.”
“Dat is een mening,” zei ik.
“Dat is een feit,” zei hij.
Frida kwam erbij staan. “Wat heeft hij nu weer gedaan?”
“Je vader probeert een varende energiecentrale te bouwen.”
“Handig,” zei ik. “Dan hebben we altijd stroom.”
“Voor wat?” vroeg Frida. “We gaan de oceaan over, niet een winkelcentrum openen.”
“Je weet nooit wat we tegenkomen,” zei ik.
Alyssa en Eva kwamen erbij.
“Probleem?” vroeg Alyssa.
“Altijd,” zei de bouwer.
“Ruimte?” vroeg Eva.
“Onder andere.”
“Koeling?” vroeg ze.
“Ook.”
“Balans?” vroeg Alyssa.
Hij knikte.
“En papa?” zei Frida.
Hij knikte nog een keer.
Ik keek om me heen.
“Serieus? Ik ben hier de grootste uitdaging?”
“Met afstand,” zei iedereen tegelijk. Zelfs Eline. Dat deed pijn. Een beetje. Maar iedereen lachte.
Maar ergens… ergens tussen alle chaos… gebeurde er iets bijzonders. We begonnen het samen te doen. Echt samen. Frida werd de planner. Alyssa de rekenmachine. Eva de technicus. En Eline… de sfeerbeheerder.
“Als dit mislukt,” zei ze op een dag, “kunnen we er altijd nog een café van maken.”
“Op zee?” vroeg ik.
“Ja,” zei ze. “Met slechte koffie en een te grote motor.”
“Dat wordt een succes,” zei ik.
Die avond zat ik weer alleen in het schip. Ik deed het licht niet aan. Dat begon een gewoonte te worden. Donker. Stil. Denken. Of juist niet denken. Ik zat op mijn plek. Middenin. Overzicht. Helikopterstand. Of zoals Frida het noemde: “Controleprobleem met marketingnaam.” Ik keek om me heen. De keuken. De hutten. Het raam van Eline. Ik hoorde hun stemmen nog. Gelach. Gedoe. Leven. “Luna,” zei ik zacht. Blijft gek. Maar minder zwaar. “Het gaat… best oké,” zei ik. Ik wachtte even. Alsof ik antwoord verwachtte. “Nou ja. Voor mijn doen dan.” Ik glimlachte.
Buiten stond de zon nog laag aan de horizon. De middernachtzon. Alsof de dag niet wilde stoppen. Alsof er nog iets moest gebeuren. En diep vanbinnen… wist ik dat dat ook zo was. Dit was nog maar het begin. Van iets groots. Van iets moeilijks. Van iets moois. En ergens…
Want de volgende ochtend… zou blijken dat je niet alles onder controle kan hebben………