11. De Doop, De Motor

11. De Doop, De Motor

De dag van de doop begon… verdacht rustig.

En dat is nooit goed.

Rust betekent bij ons gezin meestal één van twee dingen: of iedereen slaapt nog (onwaarschijnlijk),
of iedereen is iets aan het uitvreten (zeer waarschijnlijk). Ik lag nog in bed en keek naar het plafond. Vandaag. De doop van Freja Luna. Normale mensen zouden op zo’n moment denken: wat mooi, wat bijzonder, wat een mijlpaal. Ik dacht: als dit ding maar niet zinkt binnen vijf minuten.

Ik ging zitten, wreef over mijn gezicht en zei hardop: “Bert, je hebt een schip gebouwd om een motor heen. Wat kan er misgaan?” Vanuit de gang klonk meteen: “Alles.” Eline. Natuurlijk.

Ze kwam binnenlopen, haar haar compleet ontploft alsof ze een gevecht had gehad met een kussen en verloren had. In haar hand een emmer gevuld met water. “Waarom heb je een emmer water bij je.”vroeg ik. Niet oplettend dat alle meiden achter haar stonden.

“Jij gaat straks het schip dopen en wij dopen jou nu als de Kapitein van de Freja Luna.” zei ze lachend
Voordat ik er erg in had werd het water over me uitgestort. De meiden gieren van het lachen en ik stom verbaast met de opmerking “ook geodemorgen”.

Beneden hadden ze de koffie al klaar gezet. Niet één kop. Drie. Dat is nooit een goed teken.

Frida keek op de klok. 07:08. “we zijn laat,”zei ze.
“Jij hebt controleproblemen,” zei ik.
“Jij hebt een boot met een te grote motor,” zei ze.
“Dat is geen probleem, dat is een keuze.”
“Dat is een probleem in ontkenning,” zei ze.
Alyssa en Eva kwamen binnen alsof ze al midden in een college zaten.
“Als hij onder belasting draait, krijg je resonantie,” zei Alyssa.
“Alleen als de uitlijning niet klopt,” zei Eva.
“Die klopt niet,” zei Alyssa.
“Dat weten we nog niet,” zei Eva.
Ik nam een slok koffie. Ze keken me tegelijk aan. “waar gaat dit over” vroeg ik. Geen antwoord. En ze gingen gewoon verder. Frida keek me aan. “Ze zijn hier al een uur mee bezig.” “Over de motor?” vroeg ik. “Over jouw keuzes,” zei ze. Dat klonk eerlijk.

Toen we bij het schip aankwamen, voelde het anders. Niet meer als een bouwproject. Meer als… iets dat ons beoordeelde. Alsof Freja Luna daar lag en dacht: Nou, laat maar zien wat jullie kunnen.

De naam stond strak op de romp. Geen tape meer. Echt. Definitief. Ik liep ernaartoe en tikte tegen de romp.

“Niet lachen hè,” zei ik zacht.
“Praat je tegen de boot?” vroeg Eline.
“Ja.”
“Oké,” zei ze. “Dan weet ik waar we staan.”

De bouwer kwam eraan. Met die blik. Die blik die zegt: ik heb spijt van jullie, maar het is te laat.
“Alles klaar?” vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op.
“Voor zover dat bij jullie mogelijk is.”
“Dat is motiverend,” zei ik.
“Dat is eerlijk,” zei hij.

De doop zelf was… verrassend rustig. Dat maakte het verdacht. Frida stond naast me alsof ze een ceremonie leidde. Alyssa en Eva fluisterden nog steeds over de motor. Eline stond met haar armen over elkaar te kijken alsof ze een show beoordeelde. Ik pakte de fles. Even keek ik naar de naam.

Freja Luna.

Oké. Niet emotioneel worden. Niet hier. Niet nu. “Voor alles wat we achterlaten,” zei ik.
“En alles wat nog fout gaat,” zei Eline.
Ik keek haar aan.
“Dat tweede deel had ik niet nodig.”
“Realistisch blijven,” zei ze.
Ik zuchtte. En sloeg de fles tegen de boeg.

Ik doop u… Freja Luna.

De fles brak. Perfect. Te perfect. Dat beviel me niet.

“Oké,” zei de bouwer. “Te water.”

Dat klonk ineens heel serieus. Te serieus. Het schip werd langzaam naar beneden gelaten. Iedereen keek. Niemand zei iets. Behalve Eline.
“Als dit misgaat, ga ik filmen,” zei ze.
“Je filmt niets,” zei ik.
“Dit is goud,” zei ze.
“Dit is mijn ondergang,” zei ik.

En toen… raakte ze het water. Even hield iedereen zijn adem in. Ik ook. Toen kwam ze los. En bleef liggen. Gewoon. Drijvend.
“Ze zinkt niet,” zei Eline verbaasd.
“Dat was ook niet het plan,” zei ik.
“Je weet het nooit met jouw projecten,” zei ze.
Dat was… ook weer waar.

Een uur later stonden we klaar voor de proefvaart. Geen publiek meer. Alleen wij. En dat vond ik fijner. Minder mensen die konden zien hoe ik het verprutste. Ik stond bij het paneel. Mijn hand op de startknop. Even twijfelde ik. Frida zag het.

“Pap.”
“Ja?”
“Niet nadenken. Gewoon doen. Dat is hoe je hier bent gekomen.”
“Dat verklaart veel,” zei ik.

Ik drukte. De motor sloeg aan. Zoals het hoort. Geen drama. Geen gekke dingen. Gewoon… kracht. Die diepe, zware toon. Het schip trilde licht.

“Oké,” zei Eva. “Dat klinkt goed.”
“Dat klinkt heel goed,” zei Alyssa.
“Dat klinkt duur,” zei ik.

We voeren weg. Langzaam. Rustig. Ik hield het roer vast alsof het mijn laatste kans was op waardigheid.

“Ontspan,” zei Frida.
“Ik ben ontspannen,” zei ik.
“Je knokkels zijn wit,” zei ze.
“Dat is stijl,” zei ik.

Alles ging goed. Te goed. En dat is waar het fout gaat. Altijd. “Geef iets meer gas,” zei de bouwer. Ik deed het. Het schip reageerde. Mooi. Sterk. En toen… voelde ik het. Een trilling. Niet groot. Maar… anders.

“Voelen jullie dat?” vroeg ik.
“Ja,” zei Eva meteen.
“Dat klopt niet,” zei Alyssa.
“Wat klopt er niet?” vroeg ik.
“Dat,” zei ze.
“Helder,” zei ik.

“Rustig terugnemen,” zei de bouwer.

Ik deed het. De trilling bleef. Niet weg. Niet erger. Gewoon… aanwezig. Alsof het schip zei: hé, even opletten. Frida keek me aan.

“Dit is geen goed teken, toch?”
“Dit is een teken,” zei ik.
“Dat is geen antwoord,” zei ze.
“Dat is alles wat ik heb,” zei ik.

Eline stond naast me. Niet bang. Gewoon nieuwsgierig.

“Is dit zo’n moment waarop jij doet alsof je weet wat je doet?” zei ze

Ik keek haar aan.

“Ja.”

“Top,” zei ze. “Ik doe alsof ik je geloof.”

We draaiden rustig. Testten. Nog een keer. De trilling kwam terug. Altijd op hetzelfde moment. Altijd hetzelfde gevoel. De bouwer kneep zijn ogen samen.
“Hier zit iets niet lekker,” zei hij.
“Dat zei ik ook toen ik die motor bestelde,” zei ik.
Niemand lachte. Onterecht.

“We gaan terug,” zei ik.

Niemand protesteerde. Dat is altijd een slecht teken. Toen we weer aanlegden, was het stil. Niet in paniek. Niet in drama. Maar… denken. Frida keek me aan.

“Dus?”

Ik haalde mijn schouders op.

“Dus we hebben een schip dat vaart.”
“Met een probleem,” zei ze.
“Met karakter,” zei ik.
“Met een probleem,” herhaalde ze.

Die avond zat ik weer alleen in het schip. Mijn plek. Middenin. Overzicht. Ik keek om me heen. Alles was er. Alles klopte. Behalve dat ene kleine ding. Ik liep naar de technische ruimte. Legde mijn hand op de motor. Stil. Koud. Onschuldig. Alsof hij zei: ik was het niet.

“Ja hoor,” zei ik.
“Dat geloof ik meteen.”
Achter me hoorde ik Eline.
“Praat je weer tegen dingen?”
“Ja.”
“Goed,” zei ze. “Dan ben je consistent.”

Ze leunde tegen de deurpost.

“Dus… wat is het?”

Ik dacht even na.

Toen zei ik: “Iets kleins.”

Ze knikte. “Dat zijn altijd de leukste problemen.” Ik keek nog één keer naar de motor. Toen naar het schip. Toen naar de naam. Freja Luna.

“We zijn er nog niet,” zei ik.
“Gelukkig maar,” zei Eline. “Anders wordt het saai.”

Op de werf stonden we weer bij die motor, die mij meer kopzorgen had gegeven dan de puberteit van de tweeling. De bouwer draaide nog even aan een minuscuul boutje dat blijkbaar als de schuldige was aangewezen.
“Kijk,” zei hij met een stalen gezicht, “deze reus van een motor had gewoon last van een vingerhoedje.”
Eline knikte ernstig.
“En pap dacht dat het een spookschip was.”
“Je weet het nooit,” mompelde ik. “Beter een boutje dan een spook.”

De bouwer klopte op de romp.
“Nou, kapitein, tijd om haar weer in het water te laten. Maar jij blijft deze keer droog, hoop ik.”
Eline grijnsde. “Je weet maar nooit. Misschien doop ik je straks nog een keer.”
Terwijl de kraan het schip liet zakken, stond iedereen er omheen alsof we net de Olympische Spelen begonnen. Toen Freja Luna rustig op het water lag, haalde ik overdreven opgelucht adem.
“Ze drijft weer!”
“Dat was ook wel het minimale,” zei Frida droog.We klommen aan boord, en ik stond achter het paneel. “Oké, proefvaart twee,” zei ik. “Dit keer zonder extra verrassingen, alsjeblieft.”

De motor sloeg aan, en ik hield het eerst braaf bij een slakkengang. Het schip gleed kalm vooruit.
“Kijk, zo blijft alles heel.”
Alyssa was het daar niet mee eens.
“Pap, je gaat nu langzamer dan de postduif die ons geboortekaartje bracht.”
“Ja,” zei Eva, “als je nog langzamer gaat, halen we straks ingehaald worden door een eend.”
Eline keek me grijnzend aan. “En nu vol gas?”
Ik zuchtte. “Oké, maar jullie houden je vast. Als je achter ons aan gaat waterskiën, is het niet mijn schuld.” Ik gaf gas. De motor brulde tevreden, en Freja Luna trok vlot vooruit.
“Oeh, dit voelt wel goed!” riep Frida.
“Te goed,” zei Eva. “Als we zo doorgaan, kunnen we een sleepdienst beginnen.”
“Of iemand achteruit naar Denemarken trekken,” voegde Alyssa toe.

Ik lachte, maar draaide het gas terug.
“Jullie moeten niet te veel ideeën krijgen. Dit is geen trekker. Tijd om te zeilen.”

We zetten de motor uit, en in de stilte hoorde je alleen het klotsen van het water. De zeilen hesen we omhoog. De wind pakte ze op. En ineens, zonder motorgebrul, gleed Freja Luna over het water.
Eline stond met haar armen over elkaar. “Dus we zijn nu eindelijk een echte zeilboot.”
Ik keek haar aan. “Ja. En weet je wat dat betekent?”
Ze haalde haar schouders op.
“Dat jij nu net zo weinig controle hebt als wij?”
Ik lachte en kneep even in het roer. “Precies.
En dat maakt het een stuk spannender, hè?”
Eline glimlachte. “Zolang je maar niet vergeet: als het saai wordt, doen we gewoon weer iets geks.”

Geef een reactie