53. De Haven Waar We Even Thuis Waren

53. De Haven Waar We Even Thuis Waren

De volgende ochtend werd ik pas laat wakker. Dat alleen al was bijzonder want meestal was er altijd wel iemand die ruzie maakte over chocolademelk, een verdwenen trui of een discussie over wie het schip scheef had achtergelaten. Maar nu… Niets. Geen geluid. Geen chaos. Alleen het zachte tikken van lijnen tegen de mast en ergens in de verte meeuwen boven de haven.

Ik liep slaperig de kajuit in, zette koffie en zag toen het briefje op tafel liggen.

Pap, wij zijn met ons vieren op stap. Tot straks. Niet weggaan zonder ons.

Dat laatste stond onderstreept. Alsof ik degene was die impulsief verdween. Ik glimlachte in mezelf en ging met mijn koffie achter op het dek zitten. De zon probeerde voorzichtig tussen de Noorse bergen door te komen en gaf het water die goudgrijze kleur die alleen Scandinavië lijkt te hebben. Heel eerlijk? Het was heerlijk. Even stilte. Even geen complete drijvende psychiatrische inrichting. Mensen van omliggende jachten liepen voorbij en groetten vriendelijk. Zeilers herkennen elkaar altijd. Je ziet het direct. Vermoeide ogen, verweerde handen en verhalen die meestal beginnen met:

“Nou… het waaide iets harder dan voorspeld.”

Even later raakte ik aan de praat met een Noorse familie van een schip verderop. Familie Winter. Ze kwamen uit Kvarsnes, een klein dorp diep in een fjord ergens midden in Noorwegen. De vader bleek zo’n man die eruitzag alsof hij persoonlijk geboren was met zout water in zijn aderen.

“Dus jij doet dit alleen?” vroeg hij terwijl hij naar de Freja Luna keek.
“Blijkbaar wel,” antwoordde ik lachend.
Hij keek bewonderend richting het schip.
“Dapper. Mooi Schip” zei hij
“Mijn eigen ontwerp zo is er geen tweede.” zei ik
“Maar dapper dat je dat met je meiden doet we hebben de handen al vol aan onze zoon”
“Ook compleet gestoord.” vroeg ik
“Dat hoort bij zeilen.”

Daar had hij waarschijnlijk gelijk in. We praatten over routes, weerkaarten en oversteken. Ze vertelden over hun tocht vanaf de Bovenwindse Eilanden richting de Canarische Eilanden en hoe ze onderweg meerdere stormen hadden gepakt.

“Verkeerde seizoen,” zei ik direct.
Hij keek verbaasd op.
“November is beter,” legde ik uit. “Dan is het stormseizoen grotendeels voorbij. Minder ellende.”
Zijn vrouw begon meteen te lachen.
“Ja… daar kwamen wij uiteindelijk ook achter.”

Hun zoon Bjorn zat ondertussen stil mee te luisteren. Een rustige jongen van een jaar of zestien met precies die ongemakkelijke leeftijd waarop jongens tegelijk stoer én doodsbang proberen te zijn.

“Zijn je dochters aan boord?” vroeg hij iets te nonchalant.
Ik keek hem aan. “Nee. Die zijn naar het dorp.”

Hij probeerde teleurgesteldheid te verbergen maar slaagde daar dramatisch slecht in.

Zijn vader zag het ook.
“O vooral de jongste vindt hij interessant geloof ik.”
“PAP…”
Ik moest lachen.
“Sterkte jongen,” zei ik rustig. “Die is gevaarlijker dan de Noordzee.”

Na een tijdje vertrok familie Winter ook richting het dorp en keerde de rust terug aan boord. En eerlijk? Ik genoot ervan. Geen geschreeuw. Geen discussies. Geen “pap waar ligt mijn trui”. Alleen koffie, bergen en stilte. Maar precies drie uur later hoorde ik ze al van ver aankomen. Gelach. Veel gelach. Mijn complete kroost kwam de steiger opgelopen alsof ze persoonlijk eigenaar waren van de haven.

Eline liep voorop.
“PAP!”

Dat kind kon zelfs een simpele begroeting laten klinken alsof er brand was uitgebroken. Ze sprongen één voor één aan boord en allemaal hadden ze die blik in hun ogen alsof ze iets uitgevreten hadden.

“Nooit goed,” mompelde ik.
“We hebben herinneringen gemaakt,” zei Eline trots.
“Dat klinkt duur.”
“Nee joh.”
Dat antwoord vertrouwde ik direct niet meer.
“Kom naar beneden,” zei Frida.
Ik liep de kajuit in… en daar lagen de foto’s.

Grote afdrukken.
Professioneel gemaakt.
Mijn vier meiden.

Frida sterk en rustig.
Eva met die warme glimlach.
Alyssa met die ondeugende blik.
Eline natuurlijk compleet onmogelijk serieus te krijgen.

En ergens tussen die foto’s stond ook eentje van hun samen. Mijn dochters. Mijn complete wereld. Ik voelde het direct in mijn keel. Eva zag het meteen. Zonder iets te zeggen sloeg ze haar armen om me heen. En nog voor ik iets kon zeggen doken de andere drie er ook bovenop.

“Adem…” mompelde ik lachend.
“Geen tijd,” zei Alyssa.

We zaten later met z’n allen in de kuip terwijl de avond langzaam over de haven viel. Chocolademelk voor de meiden. Koffie voor mij. En precies op dat moment liep familie Winter weer langs de steiger. Bjorn groette vriendelijk. Maar toen gebeurde het. Eline keek op. Lachte.
En zei simpel:
“Hoi.”
Die jongen werd rood.
Niet een beetje rood.
Volledig rood.
En eerlijk?
Niet hij alleen.
Want zelfs Eline bloosde ineens een beetje.
Frida zag het direct.
“Oh nee…”
“Wat?” vroeg Eline veel te snel.
“Daar gaan we.”
“Waar gaan we?”
“Dit,” zei Frida terwijl ze naar Bjorn wees, “wordt een probleem.”

Bjorn keek alsof hij liever vrijwillig overboord sprong dan daar nog langer stond.

En Alyssa?
Die lag alweer dubbel van het lachen.
Ik leunde achterover in de kuip van de Freja Luna en keek naar de bergen rond de haven. De stilte. De chaos. Mijn dochters. Hun gelach. En ergens besefte ik ineens iets heel simpels. Misschien waren we niet onderweg om de wereld te ontdekken.

Misschien waren we vooral bezig elkaar opnieuw te vinden.