13. Wat Ik Niet Laat Zien

13. Wat Ik Niet Laat Zien

Er zijn van die momenten waarop het roer vanzelf lijkt te gaan. Niet omdat het schip het overneemt. Maar omdat je hoofd ergens anders zit. We voeren richting Bureå. De wind stond goed. De zeilen deden precies wat ze moesten doen. En voor het eerst sinds lange tijd… hoefde ik even niks. Dus begon ik te denken.

Aan de meiden, aan mijn meiden met een hartje van goud en met een platina randje.
Frida, die meer overzicht heeft dan ik ooit zal krijgen.
Alyssa en Eva, die alles begrijpen voordat ik doorheb dat er iets te begrijpen valt.
Eline… die alles zegt wat ik denk, maar nooit hardop uitspreek.
En ergens dacht ik:
Hoe heb ik dit voor elkaar gekregen?
En meteen daarna:
Hoe ga ik dit ooit loslaten?

Ik dacht aan vrienden, aan Luna, mijn ouders, haar ouders. Aan avonden die nooit meer hetzelfde zullen zijn. Aan gesprekken die je uitstelt omdat je denkt dat er nog tijd is. Er is altijd nog tijd. Totdat die er ineens niet meer is.

Ik keek lang naar het water. Alsof daar antwoorden lagen. Die lagen er niet. Natuurlijk niet. Maar het hielp wel. En toen keek ik naar mezelf. Niet letterlijk. Dat is het mooie aan op zee zijn. Er is geen spiegel. Alleen jij. En wat er in je hoofd zit. En daar zie ik dingen… die niemand ooit zal zien. Niet omdat ik ze niet wil delen. Maar omdat… ik ze niet kán delen.

Iedereen kan alles van me krijgen. Echt alles. Mijn tijd. Mijn energie. Mijn hart. Maar er is altijd een deel… dat van mij blijft.

Vrienden zeggen wel eens: “Je deelt alleen je lach met ons.”
“Geef ons ook je verdriet, dat hoort bij vriendschap.”
En dan word ik stil. Niet omdat ik geen antwoord heb. Maar omdat ik er één heb die ze niet willen horen.

“Fijn dat we erover gesproken hebben,” zeg ik dan of. “mooi verhaal lekker kort ook.”

Dat is mijn manier om te zeggen: Tot hier en niet verder.

Want echte vrienden… hebben mijn vreugde verdiend. Niet mijn verdriet. Dat klinkt harder dan ik het bedoel. Maar het is wel hoe het voelt.

Huilen… doe ik wel alleen. Altijd al gedaan. En waarschijnlijk altijd blijven doen. Geen mens hoeft mijn tranen te zien. Niet omdat ik me schaam. Maar omdat sommige dingen… van mij zijn.

De nacht is daar beter in. De nacht oordeelt niet. De nacht stelt geen vragen. De nacht zegt niet dat het “erbij hoort”. Dus huilen doe ik alleen. Zelfs als ik er nooit helemaal overheen kom. Zelfs als het blijft schuren. Blijft zitten. Blijft terugkomen op momenten zoals deze.

Een windvlaag trok aan het zeil.Het schip reageerde meteen. Alsof het me terughaalde. Hier. Nu.

“Pap!” Eline.
Natuurlijk.
“Ja?”
“Je kijkt alsof je een documentaire over je eigen leven aan het maken bent.”
Ik keek haar aan.
“Dat klopt ook een beetje.”
“Saai,” zei ze.
Ik moest lachen.
“Dank je.”

Langzaam kwam Bureå in zicht. Kustlijn. Huizen. Bekend. Vertrouwd.

En daar… op de kade… stonden ze al. Michael en Anna. Alsof ze er altijd al stonden. Alsof er geen tijd tussen zat. “Daar zijn ze,” zei Frida. Ik knikte. “Ja.”

We kwamen rustig binnen. Geen haast. Een motor die vertrouwd klonk. Een laatste stuk sturen. Zoals het hoort. Michael stond al te zwaaien. Breed. Zoals alleen hij dat kan. Anna ernaast. Rustig. Maar met die blik die alles zegt.

“Nou!” riep Michael nog voordat we vastlagen.
“Hij drijft!”
“Met moeite,” riep ik terug.
“Dat zie ik!” zei hij.
Eline sprong bijna van boord.
“Zijn we er al?!”
“Volgens mij wel,” zei Anna lachend.
De lijnen gingen vast.
Het schip lag stil.
Maar het voelde niet als stoppen.
Meer als… aankomen.

Michael sloeg me op mijn schouder. “Je hebt het gedaan.” Ik keek naar hem. Toen naar het schip. Toen naar de meiden. “Wij,” zei ik. Anna gaf me een korte knuffel. Niet te lang. Niet te zwaar. Maar precies genoeg. “Goed dat jullie er zijn,” zei ze. Ik knikte. “Ja,” zei ik. “Dat is het ook.”

En ergens… heel ergens… liet ik een klein stukje los.Niet alles. Nooit alles. Maar genoeg. Voor nu.

Want de rest? Die bewaar ik wel. Voor de nacht. Want ja huilen doe ik wel alleen.

Geef een reactie