25. Waar de chaos zacht werd
De zon hing al laag toen we de kustlijn van Göteborg naderden. Het licht was zacht, goudkleurig bijna, alsof de dag zelf ons welkom wilde heten na alles wat eraan vooraf was gegaan. Achter ons lag het Kattegat, voor ons een stad die we niet gepland hadden, maar die toch ineens precies goed voelde. Zoals dat blijkbaar vaker ging met ons. Geen plan, maar toch altijd ergens uitkomen waar het klopte.
“Daar is ’ie,” zei Eva terwijl ze naar voren wees.
Tussen de gebouwen en kranen door verscheen langzaam de ingang van de haven. Rustiger dan ik had verwacht, maar levendig genoeg om te voelen dat we weer even onderdeel waren van de wereld. Geen eindeloze horizon, geen alleen-zijn, maar mensen, boten, geluiden. Leven.
Ik stond aan het roer en voelde hoe de spanning zich weer even opbouwde. Havenmanoeuvres zijn nooit ingewikkeld… tot ze dat ineens wel zijn. Zeker met vier dochters die elk op hun eigen manier helpen — of denken te helpen.
“We gaan naar Lilla Bommen,” zei ik. “Iedereen scherp blijven, ja?”
“Ja kapitein,” zei Alyssa overdreven serieus.
“Niet grappig,” mompelde ik, maar ik moest toch glimlachen.
De jachthaven van Lilla Bommen kwam dichterbij. De kenmerkende gebouwen, het open water, en daar alsof het er speciaal voor ons lag het imposante silhouet van de Barken Viking. Groot, statig, bijna onwerkelijk. Een schip dat verhalen ademde nog voordat je er een voet op had gezet.
“Wow…” fluisterde Eline.
“Die is echt groot,” zei Frida.
“Dat is dus een echt schip,” voegde Eva eraan toe, met een blik die ergens tussen bewondering en lichte jaloezie hing.
“Gebouwd in Kopenhagen,” zei ik automatisch. “1906. Grootste zeilschip ooit in Scandinavië gebouwd.”
“Pap…” zei Alyssa. “Winkler prins hebben we niet bij ons hoor.”
“Ik ben de Winkler Prins,” zei ik droog.

Het manoeuvreren was… interessant. Niet moeilijk, maar ook niet ontspannen. Wind die net even verkeerd stond, een andere boot die nét iets te dichtbij lag, en vier stemmen die tegelijk aanwijzingen gaven.
“Meer naar links!”
“Dat ís links!”
“Niet jouw links!”
“Pap, pas op!”
“Ik bén aan het oppassen!”
Na een paar minuten — die langer voelden dan ze waren — lagen we vast. Touwen strak, boot stil. Altijd weer dat moment van opluchting.
“We liggen,” zei ik.
“Ja dat merken we,” zei Eva. “We bewegen niet meer.”
Frida sprong als eerste aan wal om de lijnen vast te maken. Enthousiast, snel… en precies daarom ging het mis. Haar voet gleed weg op de rand van de steiger. Een korte gil. Een plons. En weg was ze. Voor een fractie van een seconde was het stil. Toen kwam haar hoofd weer boven water, haar haar plat tegen haar gezicht, en een grijns die alles goedmaakte.
“Nou,” zei ze proestend, “ik zei toch dat ik wel een bad kon gebruiken!”
De rest barstte in lachen uit. Ik ook. Vooral ik.
“Alles oké?” vroeg ik nog.
“Ja hoor,” zei ze terwijl ze naar de kant zwom. “Alleen een beetje nat.”
“Beetje?” zei Alyssa.
“Oké, helemaal nat.”
Ze klom weer op de steiger, druipend, maar nog steeds lachend. Dat was Frida. Eerst doen, dan pas nadenken en altijd een grap paraat.
Niet veel later liepen we de stad in. De lucht was nog warm, maar de avond hing al in de straten. Göteborg voelde anders dan de plekken waar we geweest waren. Groter, maar niet druk. Levendig, maar niet overweldigend.
“Eten,” zei Eva. “Ik heb honger.”
“Steak,” voegde ze er meteen aan toe.
“Vis,” zei Frida.
Ik bleef staan.
“Niet weer,” zei ik.
“Gewoon stemmen,” zei Alyssa.
“Absoluut niet,” zei ik. “Dat doen we niet meer. Dat experiment is mislukt.”
“Dictatuur dus,” zei Eva.
“Correct,” zei ik. “En ik ben de dictator.”
“Succes,” zei Alyssa.
Maar voordat het kon escaleren, was het Eline die zich ermee bemoeide.
“We gaan naar dat restaurant van de radio,” zei ze.
Iedereen keek haar aan.
“Welke?”
“Die waar de gerechten naar songtitels zijn genoemd,” zei ze. “Dat klonk leuk. Dat gaan we doen.”
Het was zo onverwacht, zo stellig… dat niemand iets zei.
“Oké,” zei ik uiteindelijk. “Dat is… eigenlijk best een goed idee.”
“Zie je wel,” zei ze.
Het restaurant bleek precies zo bijzonder als ze had gezegd. Een menukaart vol muziek, namen die je eerder op een playlist verwachtte dan op een bord. Ik kreeg “Stairway to Heaven” voorgeschoteld. Wat het precies was, wist ik nog steeds niet helemaal, maar het smaakte beter dan het klonk.
Eline kreeg… een gigantische hamburger.
“Dat is niet normaal,” zei Eva.
“Dat is een toren,” zei Alyssa.
Eline keek ernaar, haalde haar schouders op en zei: “Komt goed.”

De kleinste eter met het grootste gerecht. Natuurlijk.
Na het eten dwaalden we door de stad. Geen plan, geen doel. Gewoon lopen. Kijken. Er zijn.
Uiteindelijk belandden we op een terras. Ik bestelde een stor stark mijn eerste sinds Piteå.
Ik keek er even naar voordat ik een slok nam. Ik was nooit een drinker geweest. Wilde dat ook niet zijn. Te veel gezien, te dichtbij. Mijn vader… dat pad was geen optie. Nooit geweest ook. Maar dit was anders. Dit was geen ontsnappen. Dit was even… zijn. De avond gleed voorbij zoals alleen goede avonden dat doen. Zonder dat je het doorhebt. Niet veel later waren we terug op de boot. Eén voor één vielen ze in slaap. Moe, voldaan, nog half lachend. Ik bleef nog even aan dek zitten.
De stad was rustiger nu. Het water kabbelde zacht tegen de romp. In de verte klonk nog wat geluid, maar het was ver weg. Alsof het niet meer voor ons bedoeld was. Al denkend liep er een man voorbij. Hij begroete me en ik groette terug. Hij gaf me een compliment over de Freja Luna. Hij vond het een schitterende boot. Ik lege hem uit dat ik hem voor het grootste deel zelf had uitgedacht. De man stelde zich voor “ik ben Ingvar Kamprad.”zei hij. Ik stelde me ook voor en nodigde hem uit voor een drankje. Hij stapte aan boord en samen zaten we daar te praten.
“Je vaart met je dochters?” vroeg hij.
“Ja,” zei ik. “Vier stuks. Allemaal een mening. Allemaal tegelijk.”
Hij lachte zacht. “Dan heb je geen bemanning. Dan heb je een bestuur.”
“Een chaotisch bestuur,” zei ik.
“Dat zijn vaak de beste,” antwoordde hij.
Er viel even een stilte. Geen ongemakkelijke. Gewoon één waarin je allebei naar hetzelfde kijkt zonder dat je het hoeft te benoemen.
“En jij?” vroeg ik. “Waarom hier?”
Hij haalde zijn schouders op. “Ik kom hier graag. Even weg van… alles wat groeit. Alles wat groter moet. Hier blijft het zoals het is. Water wordt geen gebouw. Een boot wordt geen fabriek. Het blijft… wat het is.”
Dat bleef even hangen.
“En dat mis je?” vroeg ik.
Hij dacht even na voordat hij antwoord gaf.
“Niet missen. Maar waarderen. Het verschil is belangrijk.”
Ik leunde achterover en keek naar de masten die zacht tegen de lucht afstaken.
“Wij hebben geen plan,” zei ik. “Dat was niet de bedoeling, maar zo is het gegaan.”
“En werkt het?” vroeg hij.
Ik lachte kort. “Nee.”
Hij keek me aan. “Dat klinkt als ‘ja’.”
Ik moest toegeven dat hij daar een punt had.
“Het werkt… anders,” zei ik uiteindelijk. “We komen altijd ergens. Alleen nooit waar we dachten.”
“Dat is geen fout,” zei hij. “Dat is een richting.”
“Zo voelt het niet altijd,” gaf ik toe.
Hij knikte. “Dat hoeft ook niet. Als alles altijd goed voelt, leer je niks. En als alles fout voelt, stop je. Het zit ergens daartussen.”
Ik keek naar het water. Het bewoog nauwelijks, maar toch zag je dat het leefde.
“Mijn vader…” begon ik, maar ik stopte even.
Hij wachtte. Zei niks. Dat was prettig.
“Die had het niet zo met tussenin,” ging ik verder. “Voor hem was het alles of niets. En meestal werd het niets.”
Ingvar knikte langzaam. “Dat soort verhalen hoor je vaker dan je denkt.”
“Daarom drink ik eigenlijk niet,” zei ik. “Of nauwelijks.”
Hij keek naar het lege glas naast me.
“Maar vanavond wel,” zei hij.
“Ja,” zei ik. “Vanavond wel.”
“En hoe voelt dat?”
Ik dacht even na.
“Niet als vluchten,” zei ik. “Meer als… stilstaan.”
Hij glimlachte. “Dan is het goed.”
Weer zo’n simpel antwoord dat meer zei dan het leek.
“Je dochters,” zei hij na een tijdje. “Die lachen veel.”
Ik keek op. “Je hebt ze gezien?”
“Van een afstandje,” zei hij. “Je hoort dat soort dingen. Gelach reist verder dan je denkt.”
“Ze zijn…” ik zocht even naar het juiste woord. “Veel.”
“Dat is precies goed,” zei hij. “Te weinig is pas een probleem.”
Ik moest weer lachen.
“Ze maken het me niet makkelijk,” zei ik.
“Dat is hun werk,” antwoordde hij.
“En het mijne?”
Hij keek me recht aan.
“Blijven zitten.”
Ik fronste. “Blijven zitten?”
“Ja,” zei hij. “Niet weglopen. Niet oplossen. Niet alles gladstrijken. Gewoon… blijven. Ook als het schuurt.”
Dat kwam binnen.
“Dat is lastiger dan sturen,” zei ik.
“Veel,” zei hij.
We zaten weer even stil. De tijd leek zich nergens aan te trekken. Geen haast, geen einde.
“Je denkt veel,” zei hij ineens.
“Te veel,” corrigeerde ik.
“Misschien,” zei hij. “Maar je doet ook. Dat is zeldzaam.”
“Het voelt niet zo,” zei ik eerlijk.
“Dat hoeft ook niet,” zei hij. “De meeste mensen die echt bewegen, hebben het idee dat ze stilstaan. En andersom.”
Ik keek hem aan. “Dat klinkt als iets wat op een tegeltje hoort.”
Hij lachte. “Misschien moet ik dat eens verkopen.”
“Met een bouwpakket erbij,” zei ik.
“Zelf in elkaar zetten,” voegde hij toe.
We moesten er allebei om lachen. Het was licht, maar niet oppervlakkig. Dat is zeldzaam.
“Wat ga je morgen doen?” vroeg hij.
“Geen idee,” zei ik. “Waarschijnlijk iets anders dan gepland.”
“Goed plan,” zei hij.
“En jij?”
Hij haalde zijn schouders op. “Misschien weer hier zitten. Misschien ergens anders. Ik laat het een beetje gebeuren.” Ik knikte. “Dat klinkt bekend.” Hij stond op en keek nog één keer naar de boot.
“Zorg goed voor ze,” zei hij.
“Ik doe mijn best,” zei ik.
“Dat is genoeg,” antwoordde hij.
Hij stak zijn hand uit. Ik schudde hem.
“Goede reis,” zei hij.
“Dank je,” zei ik. “En… bedankt voor het gesprek.”
Hij knikte en liep weg, zonder om te kijken. Alsof het gesprek precies zo lang had geduurd als het moest duren. Ik bleef nog even zitten. Het water was hetzelfde. De boot ook. De stad nog steeds stil. Maar mijn hoofd… niet meer zo vol. Niet leeg. Dat ook niet. Maar rustiger. Alsof iemand een paar lijnen had uitgezet in de chaos. Geen route, geen bestemming.
Gewoon… richting. Mensen ontmoet je niet zo maar dat is voorbestemd daar ben ik van overtuigd. Na een tijdje stond ik op. Liep naar binnen. De trap kraakte zacht, zoals altijd. Beneden was het donker.
Ging even kijken bij de meiden zoals ik wel vaker doe voordat ik het licht doof. Vier lichamen onder dekens, verspreid zoals alleen kinderen dat kunnen. Ik bleef even staan kijken.
Frida lag half scheef, Eva met haar arm over haar gezicht. Alyssa opgerold alsof ze nog midden in een gesprek zat. Eline… die lag rustig. Alsof zij het allemaal al wist.
“Bestuur,” fluisterde ik. “mijn bestuur,” dacht ik en volde me trots als een pauw dat ik zulke dochters had die een rugzakje hadden die wel heel vol moet zitten. Maar goed uiteindelijk hebben we dat allemaal de ene rugzak voller dan de andere maar we hebben allemaal een rugzak die we met ons mee dragen. Ik voorspel je als je hem leeg maakt zit hij de volgende dag weer vol.
Ik kroop in mijn bed en sloot mijn ogen. En voor het eerst sinds we vertrokken waren… probeerde ik niets op te lossen. Alleen maar te slapen.
Voor dat ik een poging deed om te slapen merkte ik dat me hoofd leger was, niet leeg maar minder vol. Ik dacht terug aan het gesprek met Ingvar, eigenaar van een grote winkelketen (Ikea), dacht bij mezelf hij zijn problemen met zijn zonen en ik mijne met mijn dochters. Maar het was een goed gesprek geweest het had me rust gebracht. Eline zou gezegd hebben dat ik herinneringen opgedaan had. En dat had ik…..
Herinneringen!
